Kerstmutsstoelhoes

Vier oudere dames lunchen in een Amsterdams restaurant. Er is kennelijk wat te vieren, want ze hebben zich mooi aangekleed en ze praten luid en opgewekt, terwijl ze de witte wijntjes laten vloeien.

Waar spreken ze over? Over de kleinkinderen, de vakantie op Tenerife, de kunstknie van Wim.

Dan zegt iemand: „Ik moet weer de kerstspullen gaan klaarmaken.” Het onderwerp komt als geroepen, de volgende tien minuten gaat het alleen nog daarover. En terecht, want wie bereidt zich niet voor op het klaarmaken van de kerstspullen? Die plompe dame in het midden misschien? Zij heeft steeds een belangrijk aandeel in de conversatie gehad, maar zegt nu opvallend weinig.

De anderen vallen gretig in.

„Ja, ik zie er wel elk jaar tegenop, want het blijft een heel werk.”

„Je moet het niet allemaal tegelijk doen. Stukje bij beetje, da’s het beste.”

„Dat doe ik ook, en als het er eenmaal staat vind ik het weer reuze gezellig.”

„Ik heb de spullen op zolder staan en het liefst zou ik ze daar opstellen, maar dat kun je niet doen voor de mensen.”

De plompe dame volhardt in een afzijdig zwijgen, alsof het onderwerp haar geen belang inboezemt. Ze kauwt op haar salade, nipt van haar wijn en kijkt afwezig naar degene die het woord voert. Als ik een documentairefilmer was, zou ik nu op haar inzoomen.

Het onvermijdelijke gebeurt.

„En jij, Roos?” vraagt iemand haar, „neem jij ook een kerstboom?”

Roos recht meteen haar machtige bovenlijf, alsof ze de prik voelde aankomen. „Nee, daar doen wij niet aan”, zegt ze effen. „We hebben er vroeger wel een gehad, maar toen de kinderen het huis uitgingen, zijn we ermee opgehouden. Heerlijk rustig, geen gedoe, ik kan het jullie aanbevelen.” Ze laat een korte stilte vallen en zegt dan een beetje streng: „Ik dacht trouwens dat we het hier vorig jaar ook al over gehad hebben. Of was het een jaar eerder?”

„Maar dat is toch niet leuk voor de kleinkinderen?” vraagt iemand.

„De kleinkinderen hebben thuis een pracht van een kerstboom”, zegt Roos. „Ze missen bij ons niks. Ik heb wel een houten kinderkerststal voor ze, en dat vinden ze leuk genoeg.”

„Maar het is zo gezellig.”

„Onze gezelligheid hangt niet van de kerstboom af”, zegt Roos.

Het onderwerp lijkt afgerond, als notulist mag ik voldaan naar huis, maar we hebben buiten de uitbundigste van het viertal gerekend, een dame die Jacqueline blijkt te heten en nu een groot rechthoekig pakket van de grond pakt en half boven de tafel houdt.

„Net gekocht”, roept ze, „bij Blokker! Ze hadden daar zulke schattige, kleine dingen voor de kerst. Alles voor één euro. Theelichthouders, opbergdoosjes, een kerstspeelboek voor de kinderen, kerstpartylights, alles in kerstkleuren. Maar het leukste is dit!”

Ze tikt op het pakket. „Hierin zit een kerstmutsstoelhoes. Dat is een roodwitte hoes die je over de rugleuning van een stoel kunt trekken. Aan de achterkant zit een witte pluim. Zó’n vrolijk gezicht! Ik zal het Wim laten zien, als hij het leuk vindt koop ik er nog een aantal, lijkt me gezellig voor het kerstdiner.”

Wim, dat moet de man van de geslaagde kunstknie zijn. Het leven lacht hem weer tegemoet.

Ik zoom nog even in op Roos, de plompe dame, zo overtuigd van haar kerstboomloze kerst. Ik verdenk haar ervan dat ze een meewarig lachje nog net op tijd wegbijt. Verstandig, als je het gezellig wilt houden.