Ik wil dit niet weten, maar ik moet wel

©

We moeten het even over Kevin hebben. Normaal gesproken hang ik in mijn bioscoopstoel. Nu zit ik rechtop, klaar om te vluchten. Kevin is niet de hoofdpersoon van We Need to Talk About Kevin, dat is zijn moeder. Maar hij domineert hem wel. En haar.

In films kan ik veel hebben. Ik geniet van welgemikt geweld, dat inspeelt op mijn angst, op mijn afschuw, op mijn pornografische verlangens, op mijn schijnheiligheid. Goed geweld is winst, het fleurt de onuitstaanbare eentonigheid van de moraal wat op.

Bijvoorbeeld in de tuthola-film Drive. De kritieken beloofden een existentieel verhaal over een stuntman die achter het stuur de leegte bestrijdt. Trap er niet in. Het bleek een plichtmatig liefdesverhaal over een crimineel die op zijn buurvrouw valt. Gelukkig biedt Drive flink wat origineel geweld. Flotsj! klonk het, telkens als filmster Ryan Gosling zijn laars in iemands gezicht zette, of zoiets. In de zaal keken de tere zielen weg. Gefopt! Het geweld zat voornamelijk in het geluid. In beeld zag je weinig meer dan Goslings gespannen smoeltje. Een mooi effect.

Maar nu We Need to Talk About Kevin. Wegkijken hoeft niet. Weglopen, dat zou ik willen. Maar ik blijf, opgeslokt door een drama dat we allemaal uit de media kennen: een jongen (altijd is het een jongen) die de deuren van zijn school vergrendelt en het in gangen en lokalen op een moorden zet. Zo’n jongen verdwijnt, in een kist of achter de tralies. Maar zijn ouders leven verder. Hoe kan dat?

Dolfje weerwolfje

In deze film zien we hoe Kevins moeder dat kan. En hoe ze dat ook helemaal niet kan, omdat haar hersens constant worden belegerd door herinneringen. Aan Kevin, als peuter, als joch van een jaar of tien en in de gestalte van de 18-jarige acteur Ezra Miller. Regisseur Lynne Ramsay plooide de drie tot die ene Kevin, de kloppende zweer in het centrum van de film.

Waarom kijk ik door? Omdat de film zo knap in elkaar steekt, met heden en verleden samengebald in een bolbliksem, stinkend en schroeiend? Ook. Maar wat me op mijn stoel houdt, is iets wat ik liever niet wil weten. Iets wat ik toevallig die middag juist volkomen acceptabel had gevonden, toen ik even Dolfje weerwolfje was gaan zien. Een lieve film, onschuldig. De kindvriendelijke versie van Kevin, besef ik.

Dolfje is zeven als blijkt dat hij een weerwolf is. Bij volle maan krijgt hij klauwen en tanden en vergrijpt hij zich aan de kippen van de buurvrouw. Maar ook zonder volle maan bijt hij, gromt hij en is hij soms ineens onhoudbaar wild. Zijn broertje vindt hem cool, maar wat doen zijn ouders? De film draait om de vraag of Dolfje wordt verstoten. Ach, zegt de vader, „we houden ’m.” Zijn argument? Dolfje is toevallig een lief weerwolfje. Oh, vandaar.

Kruisboog

Ook de pathologische Kevin wordt meer en meer een wolf. De regie legt hem vast als een roofdier. Zijn grijns is wreed, zijn gezicht mooi maar onaangedaan. Zijn bewegingen zijn loom, tot hij fel uithaalt. Hij wil niet geaaid worden. We zien hem door de ogen van zijn moeder, hartbeklemmend gespeeld door Tilda Swinton. Ze vreest hem, straft hem, negeert hem, is bang voor hem. Ze lijdt onder hem. Ze wéét dat haar jong gevaarlijk is. En dan, één keer, mag ze geloven dat hij toevallig toch een líef weerwolfje is. Kevin zit op schoot, zijn hoofd tegen haar borst, haar neus in zijn haren. Zij leest voor, uit Robin Hood, hij luistert. Klassiek moedergeluk, klassiek kindergeluk, maar gesmeed via de koene held met de kruisboog.

Frappes en verrassingen, ik geloof er niet in, een goed verhaal drijft daar niet op. Kevin moordt zijn school uit en dat doet hij met een kruisboog. Ik wist dat van tevoren, en gelukkig maar. Anders had ik de Robin Hood-scène misschien niet eens opgepikt voor wat hij was.

Want wat wij daar al onder ogen moeten zien, is dat het wolfskind iedereen zal verscheuren, behalve zijn moeder. Wat zij en wij moeten aanvaarden is dat hij wreed is omdat hij haar voor zichzelf wil hebben. Waar moeder noch wij onderuit kunnen is dat hij dat verschrikkelijke bloedbad aanrichtte voor haar.

Wat wij ten slotte moeten aanzien is dat deze moeder, op bezoek in de gevangenis, dat inziet en hem omhelst. Oprecht, met een herkenbare moederomhelzing. Waar wij niet voor weg kunnen lopen, is dat wij die omhelzing begrijpen.

    • Joyce Roodnat