'Het publiek pikt eenrichtingsverkeer niet'

Arnoud Odding, voormalig Glasmuseum-directeur, schreef een boek over het nieuwe museum. „Ook in de kunst dien je producten te brengen waar vraag naar is.”

Er is een aardverschuiving gaande in de Nederlandse museumwereld. In rap tempo veranderen musea van in zichzelf gekeerde, ivoren torens tot laagdrempelige ontmoetingsplaatsen. Musea zijn niet langer ‘mausolea’ waar louter cultureel erfgoed wordt bewaard. Nee, ze zoeken het publiek op, trekken de wijken in en maken deel uit het maatschappelijke debat.

Tenminste, zo beschrijft Arnoud Odding het in zijn boek Het disruptieve museum, dat vandaag verschijnt. Het museum van de toekomst, zo zegt hij, is het ‘netwerkmuseum’: een plek die middenin de samenleving staat.

Odding was tot begin 2011 directeur van het Nationaal Glasmuseum. Na de heropening van dat museum werd hij benaderd door de Stichting DOEN om onderzoek te doen naar de toekomst van de Nederlandse musea. Zo ontstond Het disruptieve museum, een boek waarvoor Odding met zo’n 15 museumdirecteuren sprak.

In zijn lichte, Haagse kantoor vertelt Odding dat musea nu eindelijk in beweging komen. Dat was zeven jaar geleden, toen hij zijn pamflet Het gedroomde museum publiceerde, wel anders. „Nederlandse musea waren toen heel sterk naar binnen gekeerd, autistisch haast. In Het gedroomde museum maakte ik mij kwaad over hoe musea zich opsloten in hun eigen vakgebied.” Inmiddels, zegt Odding, zijn musea wel degelijk na gaan denken over hun functie in de samenleving. „Ze komen niet meer weg met alleen maar te verkondigen: ik vind dit schilderij belangrijk, of deze wetenschappelijke ontdekking. Dat eenrichtingsverkeer pikt het publiek niet meer.”

Hoe komt dat?

„Het publiek is zo veel beter opgeleid dan veertig jaar geleden. Dankzij internet hebben we met één druk op de knop toegang tot de meest gespecialiseerde kennis. Mensen zijn mondiger geworden. Musea kunnen het zich gewoonweg niet meer veroorloven om te zeggen dat ze de wijsheid in pacht hebben.”

Het aloude idee van het volk verheffen door middel van kunst is dus achterhaald?

„Volstrekt achterhaald. Het volk besluit zelf wat het wil weten. We hebben als musea nog een tijdlang geprobeerd om door middel van blockbusters en ‘experiences’ te kijken of we onze ideeën toch door die strotjes konden krijgen. Maar dat was slechts symptoombestrijding. Het gaat erom dat die strotjes honger hebben, en dat je ze moet voeden met iets dat ze lekker vinden.”

Dus bezoekersaantallen zijn niet heilig?

„Je hoort mij niet zeggen dat we allemaal met minder bezoekers toe moeten. Maar wij moeten als cultureel ondernemers iets bieden waar behoefte aan is. Ook in de kunst en in de wetenschap dien je producten te brengen waar vraag naar is. Pas dan wordt er ook voor betaald.”

Maar is dat niet een knieval voor het grote publiek?

„Nee, dat hoeft helemaal niet. In het Glasmuseum werkte ik met 150 vrijwilligers. Onder hen waren kaartjesverkopers, maar ook ‘glas-nerds’ die alles weten van een bepaalde ontwerper en daar wetenschappelijke artikelen over schrijven. Daar moet je gebruik van maken. ”

Het publiek zelf dingen laten doen, zegt u in het boek, kan de betrokkenheid met het museum vergroten.

„Zeker. Kijk naar Naturalis. Dat zet bij het project ‘LiveScience’ het publiek in om de collectie te beschrijven. Nederland telt honderdduizenden mensen die iets met natuur hebben, die in hun vrije tijd vogels tellen. Die mensen zet Naturalis in. Een paar jaar geleden was dat nog ondenkbaar. Of kijk naar het Centraal Museum. Daar konden bezoekers zelf jurken van Alexander van Slobbe na maken. Een museum is niet meer alleen een plek waar objecten worden gepresenteerd, maar ook een plek waar mensen zelf bijdragen. Het museum wordt wat de Amerikanen een ‘community’ noemen, een gemeenschap. ‘We the museum’, noem ik dat.”

Hoe ziet dat nieuwe, ideale museum er uit?

„Het is een museum waar heel veel mensen continu in- en uitlopen, waar mensen het gevoel hebben serieus te worden genomen. Een museum dat middenin de samenleving staat, en dat actuele vragen stelt. Een museum waar veel verschillende geluiden klinken, en waar we het met elkaar oneens kunnen zijn. Een museum waar niet zozeer geconserveerd wordt, maar waar cultuur wordt ontwikkeld.”

Bestaat zo’n museum, in Nederland of daarbuiten?

„Tate Modern in Londen komt in de buurt. Briljant, hoe ze die grote Turbine Hall gebruiken. In Nederland is er niet één museum dat ideaal is, maar er wordt wel hard aan gewerkt. Kijk naar Meta Knol, die in De Lakenhal zojuist het Lucas van Leyden-mecenaat heeft gelanceerd, of naar Stanley Bremer die met het Wereldmuseum contacten legt bij de lokale notabelen. Of naar Wim Pijbes, die zegt dat zijn conservatoren in het Rijksmuseum nu echt een slag van 180 graden moeten maken, door niet langer het object maar het publiek centraal te stellen. Uit alles blijkt een andere denktrant. Die veranderende mentaliteit wil ik met mijn boek blootleggen.”

Arnoud Odding, ‘Het disruptieve museum’. Uitg. O dubbel d. 200 pagina's. 19,50 euro. E-book te bestellen via www.odd.nl. Zondag 11 dec om 15u spreekt de auteur over zijn boek tijdens de Leidse Salon in Museum De Lakenhal in Leiden.

    • Sandra Smallenburg