Gratis versnapering naar keus

Op de Keukenhoflaan, in een waaigat tussen jaren zeventig hoogbouw en een woonwagenkamp, staat een gloednieuw golfplaten bouwkeetachtig optrekje te blinken. Omringd door betonrot en prikbosjes met klapperende patatzakken van friet van Piet, doet mijn moeder aan kleinschalig wonen. Samen met zeven andere dames, die wegens hun eigen veiligheid achter een cijferslot leven.

Ik sta voor de elektrische schuifdeur bij de intercom met de bellen. Of de bezoekers van Klein Keukenhof a.u.b de bel van de juiste afdeling willen indrukken. Wat was het ook weer? Afdeling bollenveld, bloemencorso? Waarom kan ik de naam van mijn moeders afdeling niet onthouden? Het heeft iets te maken met de onbeduidendheid! Mijn moeder woont op afdeling dingetje, toen de leuke namen op waren. Ze zit beslist niet op afdeling praalwagen, wat ik haar op zijn minst gegund had. Altijd als ik voor deze deur sta, voel ik het ongeduld en het verlangen om mijn moedertje te zien heftig groeien. O ja! Ik weet het alweer! De Tulp!

Mevrouw Kistenmaker staat al te zwaaien achter de glazen wand. Ik zwaai terug. Naast de deurpost bevindt zich een reusachtige knalrode knop, met daaronder voor de zekerheid: ‘bel voor afdeling de Tulp.’ Ahaa!, weet ik uit ervaring, die knop laat zich niet met een druk van de wijsvinger in beweging brengen. Mij foppen ze niet! Dus ik haal uit met mijn vuist. Het enorme, met draadstaal verstevigde glazen stuk automatisch vestingwerk zwaait keihard naar buiten. Ik spring net op tijd naar achteren.

„Zijn ze al geland?”, vraagt mevrouw Kistenmaker hoopvol.

„Nog niet”, zeg ik, „ze hebben flinke vertraging. U kunt beter even in het restaurant gaan zitten en wachten tot ze omroepen.”

„O, waar is het restaurant?”

„Kom maar.” Ik bied haar mijn arm en we lopen naar de huiskamer.

„Ach”, zegt ze, „maar ik heb geen geld bij me.”

„Vanwege de vertraging biedt de KLM u een gratis versnapering naar keus aan”, stel ik haar gerust.

We wandelen de huiskamer in, met eethoek, salongedeelte, digitale open haard, glazen pot met boerderijdrop alsmede een keukeneiland. Achter het fornuis staat de zuster met haar leesbril op een zak vacuüm verpakte gehaktballen te bestuderen.

„Daar”, zeg ik tegen mevrouw Kistenmaker, „bij die mevrouw met de bril en de gehaktballen is de informatiebalie van Delta Airlines. Daar kunnen ze u verder helpen.”

„O, dank u vriendelijk hoor!”, roept mevrouw Kistenmaker blij.

Daar zit ze! Ze is zo klein dat haar stoel enorm lijkt. Voeten op een houten stoof, want ze kunnen niet bij de grond. Een golf van vertedering gaat door me heen.

„Moedertje!”, zeg ik terwijl ik haar omhels. Niet te stevig, anders breekt ze als een zandkoekje.

„Tosca?”, roept ze verbaasd. „Hoe heb je me hier weten te vinden?”

„Dit is Tosca, mijn oudste dochter”, zegt ze trots tegen mevrouw Wormerveer.

„Hoe kan dat nou”, zegt mevrouw Wormerveer, „zo’n grote stevige meid uit zo’n klein vrouwtje.”

„Kom je me halen? Gaan we naar huis?”, vraagt mijn moeder verlangend.

„Ja”, zeg ik met paniek in mijn hart, „we gaan naar huis. Dag dames!”

„Dag zuster!”, zegt mijn moeder terwijl ze aan mijn arm meeloopt. „Het was heel gezellig, maar nu ga ik naar huis.” En dan: „O jee, heb ik al afgerekend?”

„Doet u mij maar een kop koffie en een balletje gehakt”, hoor ik mevrouw Kistenmaker nog zeggen.

(Wordt vervolgd)

Tekst Tosca Niterink

Foto Anita Janssen

    • Tosca Niterink