De kloof tussen Dover en Calais

Niet zo heel lang geleden, toen optimisme over Europa nog bon ton was, was er één zorg die de sfeer soms bedierf. Doordat sommige lidstaten van de EU niet aan het gemeenschappelijke beleid meededen, zoals bijvoorbeeld het Verdrag van Schengen over de grenscontroles, doemde een beeld op van een ‘Europa van twee snelheden’.

Het begrip is intussen uit de mode geraakt. Maar het perspectief is juist nu actueler dan ooit. Tijdens de Europese topconferentie in Brussel gaat het niet meer alleen over de redding van de euro, maar ook over de opdeling van de EU in twee cirkels: een kerngroep met de zeventien lidstaten uit de eurozone en een buitenclub met de tien overige landen.

Dat zou de consequentie zijn als de zeventien eurolanden besluiten om de weeffout in de eenheidsmunt (het gebrek aan adequate gemeenschappelijke controle over het budgettaire beleid van de lidstaten) met een herzien verdrag te herstellen, zonder de tien buitenstaanders daar uitentreuren bij te betrekken.

De Duitse kanselier Merkel heeft daarop maandag gehint. Ze zei toen dat de Bondsrepubliek „absoluut bereid” is om met de zeventien alleen verder te gaan wanneer „iemand niet meedoet”.

Het lijkt logisch. Want waarom zouden niet-leden iets te zeggen hebben over de regels die de kernclub zichzelf oplegt?

Maar in politieke zin draait het om die ‘iemand’. En dat is premier Cameron van het Verenigd Koninkrijk. Hoewel het land niet deelneemt aan de euro, heeft de Britse regering pertinente opvattingen over de crisis. Als het gaat om budgettaire discipline, schaart Cameron zich achter Merkel. Maar net als zijn voorgangers, ongeacht hun politieke kleur, wil hij geen verdere politieke centralisatie ten koste van de nationale staten.

En zonder Londen geen nieuw verdrag, zo pokert Cameron. Merkel heeft deze uitdaging aangenomen. Ze zegt eigenlijk: maar zonder Groot-Brittannië wél een ander verdrag en dus een andere euro-unie. Ze heeft vermoedelijk een medestander in Frankrijk, het land waar twee eeuwen geleden het begrip ‘perfide Albion’ is gemunt. En ze gokt er met reden op dat Polen, qua inwonertal én economie de zesde natie van de EU, als potentieel lid van de eurozone volgt. Ruim een week geleden zei de Poolse minister van Buitenlandse Zaken immers: „Ik ben inmiddels banger voor het nietsdoen van de Duitsers dan voor hun macht.”

De vraag is dus niet meer of er een Europa met twee snelheden komt – een politieke unie rond de euro en een los-vaste gemeenschappelijke markt – maar hoe dat gaat gebeuren. Verdragstechnisch zullen juristen daar hun handen nog vol aan hebben. Maar het politieke besluit daartoe dient zich aan. Het Verenigd Koninkrijk kan nu aanhaken. Maar wie nuchter is, moet toegeven dat de kans daarop klein is. We zullen moeten wennen aan het idee dat er binnenkort mogelijk twee Europa’s zijn.