Armoede

Het distributiecentrum van de Noord-Hollandse Voedselbank ligt bij mij om de hoek. Ik kan vanuit mijn slaapkamer het dak van hun opslagruimte zien. Een wandeling van nog niet eens drie minuten en ik ben er, ik sta midden in de loods waar voedselwaren met heftruckjes in en uit worden gereden en op elkaar worden gestapeld. Vrijwilligers die net van hun werk uitrusten kijken mij aan en peilen: een nieuw slachtoffer van een grillige economie die zijn boodschappen niet meer kan betalen?

Het had zomaar gekund. Ik ben een kleine zelfstandige en volgens cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau en het CBS behoor ik tot een van de groepen die onder de armoedegrens terecht kunnen komen. Vooralsnog lukt het mij om buiten het legioen der armoedzaaiers te blijven. Maar dat zal voor 55.000 mensen niet het geval zijn. Binnen nu en een jaar zullen zij onder de inkomensgrens van 998 euro per maand komen.

Ellie Goemans, manager van de Voedselbank, ziet deze groei met zorg tegemoet. Ze leidt mij rond door het distributiecentrum. „Een jaar geleden lag het voedsel hier nog huizenhoog opgestapeld. Maar de recessie heeft ook de bedrijven getroffen, zij zijn minder geneigd om hun afgeschreven producten weg te geven. Dan vermarkten ze het nog liever voor een kleine prijs.”

In dit distributiecentrum worden voedselpakketten samengesteld voor 3.000 gezinnen in heel Noord-Holland. Waar de pakketten vroeger nog 22 producten bevatten, is dat nu noodgedwongen teruggebracht tot 10.

„In Amsterdam hebben we 1.100 gezinnen die van ons een voedselpakket krijgen”, zegt Ellie. „Ik denk dat het aantal in 2012 tot 1.300 zal groeien. Ter vergelijking: in 2010 kregen we er in totaal 50 gezinnen bij.” In Noord-Holland zal het aantal gezinnen dat steun zoekt bij de Voedselbank binnen een jaar met 1.000 stijgen.

Premier Rutte beklaagde zich gisteren in een Kamerdebat over het gebruik van het woord armoede. Die is in Nederland nog altijd relatief. Het was naar aanleiding van uitlatingen van SP’er Sadet Karabulut, die wil dat Rutte wat doet aan de wachtlijsten bij Voedselbanken en aan de honger in dit land.

Ellie vertelt over de schaamte die sommige mensen voelen om bij de Voedselbank aan te kloppen. En ze vertelt over de telefoontjes die ze steeds vaker krijgt, van leerkrachten die melden dat leerlingen zonder ontbijt op school verschijnen.

Voor een warm avondmaal afhankelijk zijn van afgeschreven Albert Heijn-producten – het is een verpletterende gedachte. Maar het is nog niets vergeleken bij de beuk die ik in mijn middenrif voel als Ellie naar een paar dozen achterin de loods wijst. „Daar zitten spullen in voor de Kerst”, zegt ze. „Eten?” vraag ik. „Nee, kerstversiering, lichtjes, ballen.”

Niet eens geld hebben om de feestdagen met wat versiering door te komen, dat is vernedering toe op een al vernederende armoede.

    • Hassan Bahara