Zicht op een betere wereld

De Nederlandse architect Herman Hertzberger (1932) heeft een grote Britse oeuvreprijs gekregen. Hij verwierp het strenge modernisme, maar kreeg zelf ook kritiek dat hij te ‘dwingend’ bouwde. Daar zat wel iets in, gaf hij later toe.

Vier Nederlandse architecten kregen hem eerder, de gouden medaille van het Royal Institute of British Architecture (RIBA), die sinds 1848 jaarlijks wordt uitgereikt aan een internationale architect. Na Pierre Cuypers (1890), H.P. Berlage (1932), Aldo van Eyck (1990) en Rem Koolhaas (2004) gaat de prijs dit jaar naar Herman Hertzberger (1932) omdat hij, aldus de RIBA, „de strijd aanging met het modernistische idee van form follows function”, het principe dat de uiterlijke vorm van een gebouw wordt gedicteerd door de manier waarop het doel.

Inderdaad verzette Hertzberger zich al in het begin van zijn loopbaan tegen het harde, strenge modernisme dat volgens hem en zijn leermeester Aldo van Eyck zou hebben geleid tot monotone, onmenselijke woonwijken. Als redactielid van het roemruchte tijdschrift Forum propageerde hij, samen met Van Eyck, al van 1959 tot 1963 het ‘structuralisme’, dat bekend staat als de enige origineel-Nederlandse bijdrage aan de wereldarchitectuur.

Uitgangspunt daarbij is dat grote gebouwen moeten worden opgebouwd uit kleine eenheden. Dit geeft ze niet alleen een menselijke maat, maar maakt ze ook gemakkelijk aanpasbaar aan latere, veranderde eisen en omstandigheden. Toch heeft Hertzberger het modernisme nooit categorisch afgewezen; hij is nooit een anti-modernist geworden. Zo is Le Corbusier, een van de pioniers van het modernisme, zijn held gebleven.

Hertzbergers eerste werk, de studentenflat in de Amsterdamse Weesperstraat (1966), staat dan ook helemaal in het teken van het modernisme: de gelijkenis tussen de flat en Le Corbusier’s Unité d’ Habitation in Marseille is treffend. Maar anders dan Le Corbusier gelooft Hertzberger niet dat hij ‘met zijn architectuur de wereld kan verbeteren’, zo zei in een interview bij zijn 75ste verjaardag. „Maar architectuur kan wel een beeld van een betere wereld geven”, voegde hij eraan toe.

Zijn belangrijkste structuralistische gebouw, het kantoor van verzekeringsmaatschappij Centraal Beheer in Apeldoorn uit 1972, vertoont, op het gebruik van ruw beton na, nauwelijks meer sporen van Le Corbusier. Opgebouwd uit 69 ‘dozen’ is het een soort rotsformatie, zoals Hertzberger het zelf eens noemde. Het interieur bestaat uit in elkaar overvloeiende ruimtes: Centraal Beheer is van de eerste kantoortuinen ter wereld, met vele informele ontmoetingsplekken. Zijn buitengewone aandacht voor het creëren van zulke ruimtes leverde Hertzberger de kritiek op dat zijn architectuur te dwingend was. In een interview met deze krant gaf hij toe dat hij paternalistische trekken had. Ook het verwijt dat een door hem ontworpen stadsvernieuwingsbuurt in de Haarlemmer Houttuinen uit 1982 getuigde van ‘nieuwe truttigheid’ vond hij later terecht; hij had spijt van dit buurtje.

Tot in de jaren tachtig bleef Hertzberger trouw aan het structuralisme. Zo is zijn ministerie van Sociale Zaken in Den Haag, voltooid in 1990, nog helemaal opgebouwd uit kleine elementen. Maar aan het Chassé Theater dat hij vijf jaar later in Breda bouwde, is weinig meer structuralistisch. Het joyeuze gebouw, met een feestelijk golvend dak, liet een nieuwe Hertzberger zien. Zijn bevrijding van het keurslijf van het structuralisme had hij mede te danken aan de invloed van Rem Koolhaas, zo lichtte hij de ommekeer in zijn werk toe.

Van begin af aan heeft Hertzberger een bijzondere belangstelling gehad voor onderwijs. Niet alleen ontwierp hij een groot aantal scholen, zoals de scholen aan de Apollolaan in Amsterdam uit 1983, maar ook doceerde hij vele jaren aan de Technische Universiteit in Delft. Zijn colleges waren een soort conferences over architectuur en waren populair onder studenten. De lesboeken over architectuur zijn in verschillende talen vertaald.

Hertzberger is nu meer dan een halve eeuw architect maar nog altijd niet uitgewerkt. „Ik ga door zolang ik passie heb voor architectuur”, zegt hij. Onlangs werd zijn Faculteit Bètawetenschappen van de Universiteit Utrecht op de Uithof opgeleverd. In dezelfde stad werkt hij nog volop aan de grondige verbouwing en uitbreiding van muziekcentrum Vredenburg, het structuralistische gebouw dat hij in 1979 zelf ontwierp.

Moeite met de onherkenbare verandering van wat hij zelf een van zijn topprestaties vond, heeft hij niet: „Er zijn mensen die het vreemd vinden dat ik nu zelf de verbouwing van het muziekcentrum leid. Maar ik beschouw de verbouwing van Vredenburg als het snoeien van een struik. Dat is soms nodig om hem opnieuw te laten uitbotten tot iets moois.”

Bernard Hulsman

    • Bernard Hulsman