Wetenschap is vaak onderdeel van probleem

De onbetwiste autoriteit van de wetenschap vormt een groter probleem dan fraude. Laat onderzoekers uitkomen voor hun eigen beperkingen, betogen Huub Dijstelbloem en Rob Hagendijk.

De nog steeds nauwelijks te bevatten fraude van de Tilburgse sociaal psycholoog Diederik Stapel en de veel kwalijker malversaties van de Rotterdamse medicus Don Poldermans lijken na alle ophef te zijn beland in een bekend wetenschappelijk reinigingsritueel. Diverse commissies zullen kritisch bezien hoe het is gesteld met de integriteit van wetenschappers en met de openbaarheid van onderzoeksgegevens. Bestuurders buigen zich over de aanstelling van vertrouwenspersonen, de regelingen voor klokkenluiders, de publicatiedruk en de werking van peer review.

Toch leidt dit grote onderhoud de aandacht af van iets wat op de lange termijn een veel groter probleem is en waarover het gesprek net op gang was gekomen binnen de academies. De aandacht dreigt volledig uit te gaan naar de aanscherping van de professionele hygiëne onder wetenschapsbeoefenaars, maar het zou voor de langere termijn zinvoller zijn na te gaan wat voor ‘publieke gezagscrisis’ precies aan de orde was bij de fouten in het klimaatrapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), de mislukte vaccinatiecampagne tegen baarmoederhalskanker, de economische wetenschap die de crisis klaarblijkelijk niet kon voorspellen, de twijfel over de aanschaf van vaccins tegen Nieuwe Influenza A en de aantijging van belangenverstrengeling aan het adres van een Rotterdamse viroloog.

Het gezag van de wetenschap wordt voor burgers doorgaans niet op de proef gesteld in het laboratorium of binnen de muren van de universiteit. Onrust ontstaat vooral door de vragen waarover het verrichte onderzoek niets zegt of die zelfs helemaal niet aan de orde lijken te mogen komen. Dit zijn niet alleen technische vragen over stralingsgevaar, vervuild drinkwater of geneesmiddelen, maar ook bredere morele en politieke kwesties. De grens ertussen laat zich niet eenduidig trekken. Waarom moet CO2 onder de grond worden gestopt (van het dorp waar ik woon) en wordt er niet meer gedaan aan de vermindering van de uitstoot zelf? Hoe komt het dat economen niet beter hebben toegezien op de risico’s van financiële producten en monetaire integratie?

In dergelijke kwesties wordt niet zozeer het gezag van ‘De Wetenschap’, maar de vanzelfsprekendheid ervan in twijfel getrokken. In confrontaties tussen wetenschappelijke experts en burgers draait het doorgaans helemaal niet om de vraag of de laboratoriumproeven of experimenten competent zijn uitgevoerd of om de vraag of de modellen voldoende realistisch zijn.

Het gaat veeleer over de vraag wat de relatie is met de complexiteit van de problemen waar het in werkelijkheid om draait. Je kunt evidence-based beleid willen, maar je kunt nu eenmaal niet de hele wereld in een reageerbuis of computersimulatie stoppen. De wetenschap is intern verdeeld in specialismen waarvan de inzichten zich niet eenvoudig laten optellen. De vertaling van maatschappelijke problemen naar wat zich in een laboratorium of simulatie laat onderzoeken, en weer terug naar de werkelijkheid, is daarom de cruciale zaak.

Dit staat haaks op de ideaaltypische arbeidsdeling tussen de wetenschap en de politiek. Hierin vertegenwoordigt wetenschap de kennis van zaken omtrent feiten, risico’s en onzekerheden, bijvoorbeeld over de noodzaak tot vaccineren of over de snelheid waarmee het klimaat verandert door menselijke invloeden. De politiek staat voor de diverse belangen en waarden die op het spel staan, zoals economie versus milieu, de kosten en baten van volksgezondheid, de morele waardering van de diverse risico’s of de spreiding van de gevolgen over de bevolking.

Voor welk probleem is deze strikte taakverdeling nog een oplossing? Wetenschap vormt vaak een neutrale bron van expertise die buiten de discussie staat en slechts helpt het debat te beslechten, maar net zo vaak staat ze binnen de discussie – als onderwerp van debat. In maatschappelijke keuzes gaat het om feitelijke, normatieve en andere overwegingen. Dit betekent interpreteren en verduidelijken hoe ongelijksoortige argumenten samenhangen of juist een andere kant op wijzen. Dit is nodig om politieke en ethische keuzen zo scherp mogelijk te stellen.

Een wat bescheidener beeld van de ‘autoriteit’ van de wetenschap in publieke kwesties hoeft helemaal niet af te doen aan haar gezag. In het publieke domein draait het om onderzoek dat aansluiting zoekt bij de levenssfeer en onzekerheden die zich nu eenmaal zelden volledig laten bezweren met een beroep op wetenschappelijke kennis.

Wie moet besluiten of hij of zij een dochter van twaalf jaar oud adviseert zich te laten vaccineren tegen een seksueel overdraagbare aandoening (en zich terloops afvraagt waarom alleen meisjes worden opgeroepen en niet jongens) of wie zich over gezond voedsel wil laten voorlichten, oriënteert zich grosso modo niet anders op de diverse informatiebronnen dan een politicus die hierover een besluit moet nemen – ook al heeft een besluit met individuele gevolgen een andere impact dan een besluit met collectieve gevolgen.

Deze observatie is niet bedoeld om te tonen ‘dat we het eigenlijk toch nooit zeker weten’. De pointe is om te begrijpen dat de reductie van onzekerheid in de maatschappij niet het monopolie is van met gezag omklede instituties, maar tot de praktijk van alledag behoort. Een wetenschap die daarover de dialoog met burgers niet tot stand weet te brengen en de eigen beperkingen liever binnenskamers houdt, is uiteindelijk schadelijker voor de vertrouwensbasis dan een fraudeur.

Huub Dijstelbloem en Rob Hagendijk vormen de redactie van de bundel Onzekerheid troef. Het betwiste gezag van de wetenschap, die vandaag in Amsterdam werd gepresenteerd.