Subtiele wraak

Wraak geneest niet, zei schrijver Abel Herzberg eens. Zelf had hij concentratiekamp Bergen-Belsen meegemaakt, maar toch pleitte hij voor vrijlating van ‘de Drie van Breda’, de drie nazi’s die na de oorlog in Breda gevangen zaten. De oorlogsslachtoffers zouden zich volgens Herzberg pas bevrijd voelen „als ze zich losmaken van dat eeuwige vergeldingsidee”.

In de biografie van Arie Kuiper over Herzberg staat een schitterende anekdote waarmee Herzbergs houding geïllustreerd wordt. In augustus 1945 zat Herzberg met een Joods gezelschap, teruggekeerd uit de kampen, op het terras van een Bussumse villa. In die villa had tijdens de oorlog een NSB’er gewoond die nu zelf in een kamp zat. De vrouw van de NSB’er was ziek en moest van de dokter groene pruimen eten. Zij herinnerde zich dat in de tuin van de villa een pruimenboom had gestaan en stuurde een meisje met het verzoek een mandje met die pruimen te geven. Het Joodse gezelschap weigerde verontwaardigd.

Herzberg was het daar niet mee eens. Hij had van zijn vader geleerd dat je in zulke gevallen heel anders moest reageren: „Geef de beste pruimen die je vinden kunt.” Dat was juist „de mooiste wraak die denkbaar is”.

Pas later, nadat ‘de Drie’ waren vrijgelaten, twijfelde Herzberg enigszins aan zijn standpunt. Zijn kinderen hadden de oorlog overleefd, hoe zou hij gereageerd hebben als ze gedood waren?

Ik vertel dit omdat het voorbeeld van Herzberg gisteravond zijdelings ter sprake kwam op een bijeenkomst over het thema vergelding en vergeving in De Nieuwe Liefde, het bezinningscentrum van Huub Oosterhuis. Hoofdgast was Paul Kuiper, wiens dochter Maaike veertien jaar geleden vermoord werd door haar buurman, een Marokkaanse illegaal, die 200 gulden nodig had.

De vraag was of Kuiper het de dader, veroordeeld tot achttien jaar gevangenisstraf en inmiddels weer vrij, ooit zou kunnen vergeven. Nee, zei Kuiper, de enige die hem zou kunnen vergeven was Maaike – en hij kon niet namens haar spreken. Hij zou de dader hoogstens kunnen vergeven wat die hém, als vader, aangedaan had, maar hij wilde de man (die trouwens nooit berouw had getoond) niet zien. Hij noemde ook nooit zijn naam. „Ik wil hem niet kennen.” Wraakgevoelens had Kuiper niet, het voorbeeld van Herzberg sprak hem aan.

Toch zou ik, zoals Herzberg zelf al deed, die houding wel degelijk een vorm van wraak willen noemen – een subtiele variant ervan. Paul van Tongeren, hoogleraar ethiek, wees tijdens deze avond ook op die mogelijkheid.

Vergeven kan eigenlijk niet, vond hij, het was in theorie onmogelijk, maar toch gebeurde het in de praktijk wel eens, zij het zelden. Als het gebeurde, ervoer hij het als een wonder. Vergelding vond hij geen oplossing, omdat je daarmee het gebeurde niet achter je laat, je wilt steeds meer vergelding. Subtiele wraak à la Herzberg was iets anders, „daarmee verhef je je boven je eigen pijn”.

Een oudere vrouw, achter in de zaal, had het allemaal geboeid aangehoord en wilde nu zelf ook wel iets vertellen. Toen ze een jaar of twintig was, was een geliefde persoon plotseling uit haar leven verdwenen. Dat had haar vreselijke pijn gedaan. Enkele jaren later bleek dat haar moeder die ander tot de verlating aangezet had. Omdat haar moeder ook vele goede kanten had gehad, had ze het haar vergeven – zonder het te vergeten, zei ze er snel bij.

De moraal: wraak is een gerecht dat verfijning behoeft.