Let op de zinnen die je gebruikt

Met de woorden die we gebruiken, bepalen we welke moraal we willen uitstralen.

Taalgebruik als ‘rot tot op het bot’ en ‘doe eens normaal, man’ heeft daarom gevolg.

Nu Sinterklaas ons land verlaten heeft en kerstmis weer voor de deur staat, valt de verantwoordelijkheid cadeautjes te geven terug in onze eigen handen. Waarom zou je af en toe geen boek cadeau doen?

Taal is altijd een belangrijk thema geweest in de filosofie. Sinds de Oude Grieken heeft elke belangwekkende filosoof – van Socrates tot Wittgenstein – zijn eigen opvatting over taal ontwikkeld. Plato en Aristoteles, bijvoorbeeld, bespraken het verschil tussen retorica en filosofie. Retorica was volgens Aristoteles inzien hoe mensen, per geval, overtuigd kunnen worden. Dergelijk taalgebruik was volgens de Griekse wijsgeer dus een middel om over anderen te kunnen heersen. Filosofie, daarentegen, was volgens Aristoteles’ leermeester Plato het stellen van de juiste vragen om tot beter begrip van een denkbeeld te komen. Zeshonderd jaar later was taal voor Augustinus een manier om in de wereld te kunnen bestaan en tegelijkertijd die wereld te kunnen ontstijgen, door tot grotere waarheden te komen die buiten die wereld liggen.

De Amerikaanse filosoof Richard Rorty (1931-2007) bestrijdt in zijn beroemde boek Contingency, irony and solidarity (1989) dit laatste idee. Volgens Rorty bestaat waarheid niet buiten ons; alleen een zin of een gedachte kan waar of onwaar zijn. We zeggen: ‘Het regent’, en dan regent het wel of niet. Die zin is op dat moment waar of onwaar. Waarheid zit dus in de taal. Want dat het regent, is niet waar of onwaar. Het regent simpelweg – of niet, natuurlijk. Rorty maakt zo duidelijk dat de waarheid altijd in woorden ligt – in hoe die woorden corresponderen met de werkelijkheid. ‘Tomaten zijn rood.’ ‘Het regent vandaag.’ ‘Ik eet gezond.’ Die zinnen kloppen, of kloppen niet. En als ze kloppen, noemen we dit soort zinnen feiten.

En met feiten, zo gaat het cliché, valt niet te rommelen. Toch, zo betoogt Rorty: als waarheid in taal zit, hangen de feiten af van de woorden die we gebruiken. Hij benadrukt dat de omschrijving van een feit niet alleen bepalend is voor het waarheidsgehalte er van, maar ook voor de beleving. Iets dat ‘slecht’ is, kan bijvoorbeeld geherformuleerd worden als ‘voor verbetering vatbaar’. Het regent niet, ‘het miezert’, ik eet ‘niet echt ongezond’.

Wij kennen dus waarden toe aan feiten. Of, anders gezegd: feiten zijn te kleuren. Wittgenstein benadrukte al dat taal een gereedschap is om de werkelijkheid mee te bewerken, dat vaak wordt ingezet met een bepaalde (strategische) intentie: overwicht, angst bij de ander, een sterkere positie. Taal is dus geen representatie van de wereld, maar een gedachte van de mens, gekoppeld aan een moraal. De taak van de filosofie is nu de juiste vragen te stellen over die taal en die moraal, ons constant te wijzen op het menselijke van gedachten – en het retorische aspect ervan.

Politici gebruiken taal bijvoorbeeld om feiten te ‘laden’. PVV-kamerlid Louis Bontes, die afgelopen week een corrupt Buma/Stemrabestuurslid ‘rot tot op het bot’ noemde, is hier een voorbeeld van. Ook andere beleidsmakers kunnen er wat van. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven wil al enkele tijd de kansspelmarkt opengooien om een gevarieerder aanbod te creëren, met sportprijsvragen, loterijen en paardenrennen, teneinde Nederlanders vrijer en – uiteindelijk dus – gelukkiger te maken. „Al eeuwenlang beleven mensen wereldwijd plezier en (ont)spanning aan de wetenschap dat een kleine inleg mogelijk tot een grote prijs leidt”, schreef Teeven aan de Tweede Kamer. „Ik ben van mening dat consumenten desgewenst moeten kunnen beschikken over een passend en attractief aanbod van kansspelen.” Het zou immers van een ‘eigentijdse benadering’ getuigen mensen meer kansen op plezier, ontspanning en die grote prijs te geven.

Iedereen die weleens in een casino komt, weet dat de werkelijkheid oneindig veel complexer is dan de heer Teeven stelt. De sfeer in een casino is vaak gespannen, gokverslaafden betalen al eeuwen een hoge prijs voor hun verslaving en de winstkansen bij kansspelen zijn al sinds de oudheid minimaal (anders zouden ze al lang niet meer bestaan).

Teeven bedient zich van een bepaalde retorica om zijn doel (meer opbrengsten voor de staatskas?) te realiseren. Welke vorm van taal kunnen we gebruiken om de juiste filosofische vraag te stellen? Die te beantwoorden zonder zelf in retorica te vervallen? Om de meervoudigheid van het probleem te duiden?

In zijn eerder dit jaar gepubliceerde essay Echt zien betoogt NRC-columnist Bas Heijne dat wij de taal van romans kunnen gebruiken om anders naar de wereld te kijken. Ook Rorty haalt in zijn boek fictie-auteurs aan (Orwell, Nabokov) om tot een dieper begrip te komen van concepten als wreedheid, rechtvaardigheid en solidariteit.

In de roman De Speler (1868) van de Russische Fjodor Dostojevski voert de schrijver een privéleraar op die met een gokverslaving kampt. „Geld is alles”, laat Dostojevski – die zelf ervaring had met gokverslaving – de hoofdpersoon zeggen. En daarna denk hij: „En ik heb bijna terug, wat ik verloren heb.” Bijna. Maar dan: „Zijn hier wisselkantoren?” „Wat een afzetters!” „Hoe dan? Hoe dan?” Dostojevski beschrijft gezichten van hoogrode kleur, zwetende handen, mensen die alles verspelen. De roman geeft een eeuwenoud beeld van casino’s en kansspelen dat behoorlijk afwijkt van het plaatje dat de heer Teeven schetst.

De Spaanse filosoof Fernando Savater gaat in zijn boek De moed om te kiezen (2003, veertien jaar na Contingency, irony and solidarity) verder met Rorty’s gedachten. Hij stelt dat moraliteit uit onszelf komt. Het zit in de woorden die wij gebruiken, in wat wij schrijven en lezen, in hoe wij met elkaar spreken.

Een maatschappij die de retorica van ‘Doe eens ff normaal, man’ en ‘doe zelf normaal’ accepteert, leidt tot een maatschappij met een andere moraal dan een maatschappij waarin politieke leiders filosofische vragen stellen en taal verdiepend gebruiken: „And so, my fellow Americans, ask not what your country can do for you; ask what you can do for your country.”

Wij zijn onderdeel van de maatschappij, zegt Savater. De vraag is dus niet: is de maatschappij verantwoordelijk? Maar: wat kan ik zelf doen om mijn verantwoordelijkheid te nemen? Het antwoord is: opletten, op de zinnen die ik gebruik. Me bewust zijn van het wispelturige karakter van taal, me niet in de watten laten leggen door woorden als ‘plezier’ en ‘grote prijs’ en ‘eigentijds’, maar me bewust zijn van de achterkant van die woorden en van de morele gevolgen van taalgebruik – ‘rot tot op het bot’, ‘doe zelf normaal, man!’ – voor mezelf en voor mijn gemeenschap. En af en toe een boek lezen, dus. Of het op zijn minst cadeau doen.