Een gebaar, maar wel erg

Een gebaar, maar wel erg

bescheiden

Eindelijk wordt recht gedaan. Nederland moet een schadevergoeding betalen aan de negen nog in leven zijnde hoogbejaarde nabestaanden van het in 1947 door de Nederlandse troepen in het Indonesische dorp Rawagede aangerichte bloedbad. Beschamend is nog altijd dat er een rechterlijke uitspraak nodig was alvorens tot compensatie van de slachtoffers is overgegaan. Na de rechterlijke uitspraak heeft minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) snel gehandeld, zo is verrassend genoeg de reactie van politiek Den Haag. Te snel lijkt vergeten dat het uiterst gênant is, dat deze compensatie door Nederland 64 jaar op zich heeft laten wachten.

Daarnaast biedt de Nederlandse Staatnu zijn excuses aan voor de slachting in het Indonesische dorp. Maar die excuses heeft Rosenthal niet zelf aangeboden aan de Indonesische autoriteiten. Hij liet dit over aan ambassadeur Van Dam, ook al had oud-minister Pronk liever gezien dat Rosenthal het in persoon gedaan had.

Mooier was het geweest als minister Rosenthal had aangeboden in het dorpje een ontwikkelingsproject te starten. Misschien heeft de minister dat wel via stille diplomatie gedaan. Pas als dat het geval is zou ik mij iets minder schamen als Nederlander.

Hans Akveld

Berkel en Rodenrijs

Armoedetrends

Met zijn bijdrage van 1 december opent staatssecretaris Ben Knapen (CDA) ook politiek het debat over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking. Hij analyseert terecht de trends en trekt de conclusie dat „de klassieke hulparchitectuur zijn langste tijd heeft gehad”. Hij roept hierbij op de deuren te openen, maar het is nog niet zo duidelijk wat we dan te zien krijgen. Wie de trends analyseert, ziet drie lijnen voor de toekomst van ontwikkelingssamenwerking.

De eerste is dat armoede steeds meer het karakter krijgt van ongelijkheid. Het aantal arme landen neemt af, maar het aantal mensen onder de armoedegrens blijft met 1,2 miljard op een onaanvaardbaar niveau. 70 procent van deze armen leeft in middeninkomenslanden. Om armoede daar te lijf te gaan, is meer aandacht nodig voor eerlijke internationale handel, goed bestuur en de strijd tegen corruptie.

De tweede is dat armoede samenhangt met wereldwijde vragen van klimaat, energie, voedselprijzen en grondstoffen, en dus ook met onze eigen productie en consumptie, die in deze vorm en mate niet houdbaar zijn.

De derde is dat armoede alles te maken heeft met onveiligheid. Het probleem van fragiele staten en conflictgebieden – ook middeninkomenslanden als Mexico en Colombia – zal steeds nadrukkelijker de armoedeagenda bepalen.

Wat mij betreft, zijn de contouren van ontwikkelingssamenwerking-nieuwe-stijl zichtbaar. Daarom mag ik hopen dat Knapen het debat dat hij met zijn artikel opent ook van concrete instrumenten – inclusief de financiële – voorziet.

René Grotenhuis

Algemeen directeur Cordaid