Financiële frikadellen

De verhoren van de commissie-De Wit zijn veel grappiger dan mensen denken. Door de setting en alle pakken en dassen lijken de zinnen die uitgesproken worden betekenis te hebben. Maar hun betekenis is vooral het gaande houden van het verhoor en de bevestiging dat onze overheid net zo goed (of slecht) geleid wordt als de gemiddelde voetbalkantine. Mensen doen allemaal hun best en als het misgaat construeren ze een mooi verhaal over hun rol in de gebeurtenissen. Of het nou om het instorten van de wereldeconomie of bedorven frituurvet gaat.

Misschien dat het ontbreken van een lachband een verkeerde indruk achterlaat. De commissieleden kun je vooral zien als klassieke aangevers. Ze stellen bijvoorbeeld een vraag aan ex-DNB-directeur Nout Wellink en die antwoordt dan: ,,We hebben gewoon de ineenstorting van het stelsel niet voorzien. Maar eerlijk gezegd: ik bevind me in goed gezelschap, namelijk de rest van de wereld.” Als de heer Wellink vervolgens keihard op een roltoeter geblazen had zou er behoorlijk gegniffeld zijn om deze leugen onder ede. Tijdens de wat slechtere scènes herlees ik nog even Hernando de Soto. Deze Peruviaanse econoom roept al jaren dat eerst eens vastgesteld moet worden wie eigenlijk wat bezit. Van een groot deel van de financiële producten die op de balansen van instellingen als banken, verzekeraars en pensioenfondsen staan is de waarde en eigenaar onduidelijk. Het zijn een soort financiële frikadellen die uit allerlei andere stukjes financiële frikadel bestaan. Men denkt dat hun totale waarde ongeveer 600 biljoen dollar is, maar ze kunnen er best een biljoen of tien naast zitten. Je kunt heel voorzichtig vaststellen dat er nogal wat kennis ontbreekt. Zonder die kennis zijn allerlei plannen en beschouwingen zinloos.

Ik zit nu te kijken naar de sketches met Wouter Bos en die zijn ook behoorlijk hilarisch. Jammer dat de commissieleden geen rode clownsneus opzetten zodra de woorden ‘gezonde instelling’ of ‘inschatting van de risico’s’ vallen. Nu lijken het woorden die betekenis hebben. Misschien dat de commissie moet bestaan uit kinderen in de waarom-fase. Die vragen net zolang door tot ze het begrijpen. Of, in dit geval, de ondervraagden moeten toegeven dat ze het ook niet begrijpen. En dat ze dat zichzelf wel aanrekenen.

Zoals ik mijn dochter gisteren meldde: „Met de kennis van nu is natuurlijk makkelijk te concluderen dat Sinterklaas niet bestaat, maar in het licht van mijn verantwoordelijkheden was dat in de eerste jaren van je bestaan niet een mogelijkheid waar iemand rekening mee hield.”

Raoul Heertje