De Europese Unie moet geen monopoly spelen met China

De Europese Unie wil dat China helpt bij het verlichten van de crisis. Moeten we dit willen? Het ligt eraan welke voorwaarden China verbindt aan deze steun, schrijft Garrie van Pinxteren.

Zullen we Nederland maar gewoon aan China verkopen, opdat we van de financiële zorgen af zijn? Dit stelde kunstenares Tinkebell schertsend voor in haar Pietje Bell Lezing, die bekort werd afgedrukt in Opinie & Debat (12 november). Het zegt veel over de angst en het ontzag voor China in Europa dat zo’n gedachte bij haar opkomt.

Deze gevoelens zijn nieuw. Tien jaar geleden traden we China eerder arrogant dan angstig tegemoet.

Dat China inmiddels in de positie is om de falende Europese Unie financieel te hulp te schieten, ligt niet alleen aan de Chinese ijver en aan het strategische inzicht van de Chinese overheid. Het komt ook door de zelfoverschatting, de interne verdeeldheid en het kortetermijndenken aan Europese zijde. Aanvankelijk waren we ook in Nederland ervan overtuigd dat de nieuwe openheid van China vooral ertoe zou leiden dat onze Nederlandse en Europese bedrijven steeds meer toegang zouden krijgen tot de Chinese markt. China zou voor ons wel een nieuwe afzetmarkt, maar geen nieuwe concurrent worden.

China had andere bedoelingen. De Chinese overheid, die altijd een sterke hand heeft behouden in de aansturing van de Chinese economie, heeft buitenlandse bedrijven in de praktijk vooral ingezet om te produceren voor de export. Bedrijven werden gelokt met het vooruitzicht van toegang tot de enorme Chinese markt. Die 1,3 miljard Chinezen hadden immers 2,6 miljard oksels, dus stel je eens voor dat je daar je deodorant kon verkopen.

Als een bedrijf eenmaal een fabriek in China had neergezet, bleef de toegang tot de interne Chinese markt evenwel moeizaam en beperkt. In de praktijk produceerden bedrijven vooral met goedkope Chinese arbeidskrachten voor de export. Dit was ook prettig, maar toch iets anders. Dat bleef ook zo nadat China in 2001 lid werd van de Wereldhandelsorganisatie.

Zo mogen buitenlandse autofabrikanten tot op de dag van vandaag voor niet meer dan de helft eigenaar zijn van autofabrieken in China. Omgekeerd kan China buitenlandse autofabrikanten gewoon volledig opkopen. Door interne verdeeldheid liet de EU het gewoon gebeuren dat Italianen en Spanjaarden hun schoenenindustrie te gronde zagen gaan door massale, goedkope import uit China.

In Nederland vonden we het vooral voordelig. De Nederlandse overheid zag de Chinese import als een mooie bijdrage aan de koopkracht en aan de welvaart van de Nederlandse burger. Voor hetzelfde geld kon je meer kopen dan vroeger. Waar klaagden critici over? Ook Nederland Transportland profiteerde van de Chinese goederenstromen. Bedreigingen zagen we toen nog veel minder. We zouden altijd superieur blijven aan China, omdat we een voorsprong hadden wat betreft technologie, innovatie en dienstverlening. Deze voorsprong dachten we nooit te verliezen. Zo zelfverzekerd waren we een paar jaar geleden nog.

Met de Chinese export, waar jarenlang maar heel beperkt import uit de EU tegenover stond, verdiende China een steeds sneller groeiende berg aan buitenlandse valuta. Deze valuta belandden vooral in handen van de overheid. Dit zijn de valuta waarvan we nu zo hopen dat China ze wil inzetten om de euro en de Europese economieën te redden.

Dit wil China wel overwegen, maar het wil er iets voor terug. Meer toegang tot onze technologie bijvoorbeeld, opdat China de productie kan verschuiven van goedkope, arbeidsintensieve goederen naar meer hoogtechnologische producten. Ook zou het sympathiek zijn als de EU China snel de marktstatus verleent. Hierdoor wordt het in de praktijk veel moeilijker om China veroordeeld te krijgen voor dumping. Als China meer geld in een noodfonds steekt, is het toch ook niet onredelijk om in ruil daarvoor meer stemrecht te vragen binnen het Internationaal Monetair Fonds? Zou dat IMF trouwens niet eens moeten overwegen om EU-obligaties uit te geven in Chinese yuan in plaats van in dollars of in euro’s? China heeft ook geopperd dat het goed zou zijn als de EU onderpand zou verlenen aan China in de vorm van Europese infrastructuur, voor het geval dat de EU haar schulden niet weet af te lossen.

Het zou een grote fout zijn om nu te zeggen: we staan met onze rug tegen de muur, we kunnen niet anders dan China te geven wat het graag wil hebben. Dan geven we goede troeven uit handen. Dit is helemaal niet nodig.

China is, ondanks zijn groeiende economie, veel zwakker dan we van de weeromstuit zijn gaan geloven. Van de Chinese export gaat 20 procent naar de EU. China wil zich al tijden graag meer richten op de binnenlandse consumptie, maar deze omschakeling lukt niet van vandaag op morgen – niet alleen omdat Chinezen gemiddeld nog lang niet zo rijk zijn als Europeanen of Amerikanen, maar ook omdat goed en betaalbaar onderwijs, betaalbare huisvesting, goede medische zorg en zekere pensioenen nog steeds lang niet vanzelfsprekend zijn.

Chinezen voelen zich daarom gedwongen om te sparen. De interne Chinese economische groei zit veel meer in investeringen in infrastructuur en vastgoed dan in een groei van de binnenlandse consumptie. De Chinese interne consumptie neemt wel toe, maar wij zijn als afzetmarkt voor China voorlopig nog van groot belang. Als de export inzakt, leidt dit al snel tot interne spanningen en onlusten. Ook zou het ronduit gevaarlijk zijn voor China als de euro zou vallen. Dan worden ook de Chinese tegoeden en bezittingen in Europa meteen minder waard.

We moeten ons bewust zijn van het grote belang dat de EU voor China heeft. Het zou onverstandig zijn om monopoly te spelen met China. In monopoly geven we netjes onze stations, het waterleidingbedrijf en het elektriciteitsbedrijf als onderpand aan China, met de kans dat we dergelijke essentiële bedrijfstakken uiteindelijk voor veel te weinig geld aan China van de hand moeten doen. Het is veel verstandiger om, net als China, met een stalen gezicht zo goed mogelijk te proberen te pokeren. Hiervoor zal op de langere termijn vooral interne Europese eenheid en een strategische visie op de relatie met China nodig zijn. We moeten ons bewust zijn van de sterke troefkaarten die we wel degelijk in handen hebben, en we moeten die ook durven inzetten als het erop aankomt. Als we dat niet doen, dan zou het weleens een hele tijd kunnen duren voordat we weer zulke goede kaarten in handen krijgen.

Garrie van Pinxteren is oud-correspondent in Peking voor NRC Handelsblad en journaliste bij het NOS Journaal.

    • Garrie van Pinxteren