Treurminuut

Het was een zondag voor de sportdoden.

En voor de bijna-doden.

In de Kuip wisten alle supporters bij de wedstrijd Feyenoord-PSV wat hen te doen stond. Wat er ook gebeurde en wat de stand ook was, in de twaalfde minuut moest en zou You’ll never walk alone gezongen worden door alle 43.000 toeschouwers.

Voor zieke Dirk, roepnaam Djee.

In het Algemeen Dagblad van zaterdag las ik waarom: Djee van Suijlekom (60) heeft kanker en is opgegeven. Hij wilde nog een keer naar het stadion maar kon het niet betalen. Fans schoten te hulp. Djee kreeg een plaats op de tribune. In de twaalfde minuut begon iedereen te zingen en met sjaals boven het hoofd te wuiven.

Ik hoorde dat supporters in de Kuip de twaalfde minuut hebben uitgeroepen tot het moment waarop fans herdacht worden. Er gaat in een stadion niets boven het gemeenschappelijk beleven van een minuutje dood.

Kippenvel per strekkende meter.

In Utrecht zaten de fans in het stadion gisteren klaar voor hun treurminuut. Ze herdachten de in 2005 plotseling overleden voetballer David di Tommaso. Zijn lievelingsnummer Ti Amo werd over de stadioninstallatie gespeeld.

De fans snotterden schouder aan schouder om nog geen anderhalf uur later rond het stadion de politie stenengooiend naar het leven staan.

Hypocrisie gaat ook per strekkende meter.

Er kon op de druilerige voetbalmiddag nog wel meer ‘dood’ bij. Er kwam nieuws uit Brazilië. Sócrates, de beroemde middenvelder uit de tachtiger jaren, had het leven gelaten. Sócrates was een sierlijke voetballer die kon heersen op het middenveld. Hij speelde in het Braziliaanse elftal van de jaren ’80, dat nog beter voetbal speelde dan Nederland tijdens het WK van 1974.

Sócrates – met baard en lange manen – liep altijd kaarsrecht over het veld. Schrijden was het, hollen deed hij niet. Ik heb Sócrates nooit met een kromme rug zien spelen.

Sócrates had medicijnen gestudeerd. Hij was arts. Zijn bijnaam was O Doutor, De Dokter. Sócrates rookte en dronk. Ik heb altijd een zwak gehad voor sporters die maling hebben aan wat hoort. Sócrates genoot van het leven.

De afgelopen jaren werd hij al een paar keer in het Albert Einstein-ziekenhuis opgenomen met klachten. Dat was groot nieuws in Brazilië: het journaal toonde beelden van zijn aangetaste lever. De voetballer zelf wandelde kalm het ziekenhuis uit.

Sócrates wilde de drank niet de schuld geven van zijn zwakke gestel. Ook hier een rechte rug. Hij zei: „Alcohol beschouw ik als mijn vriend.” Zo hoort het. Een goede vriend met wie je het leven deelt, val je niet af.

In Brazilië kenden ze de innige verhouding tussen voetbal en drank van een vorige legende: Garrincha. De aanvaller hield van het passeren van verdedigers en hij was verzot op vrouwen. Hij liet dertien kinderen na. De fles had de voetballer altijd binnen handbereik. Hij stierf in 1983 op 49-jarige leeftijd aan levercirrose.

Fans trokken naar het beroemde stadion Maracana om Garrincha na zijn dood toe te zingen: „Garrincha, dank dat je hebt geleefd.” Het klinkt me levenslustiger in de oren dan: „Jammer dat je dood bent.”

Op het voetbalveld is Nederland de Brazilianen voorbijgestreefd. Op het gebied van de dood kunnen we nog veel van ze leren.

Wilfried de Jong