Lekker doorrijden, ten koste van de sukkelende stakkers

We weigeren in te zien dat automobilisten anderen de vrijheid ontnemen.

De auto heeft politici in irrationele sferen gebracht, zo blijkt uit de verhoging van de maximumsnelheid.

Veel meer dan een praktisch vervoermiddel is de auto de verbeelding van status, van vrijheid, zelfstandigheid en emancipatie, van beleving van eigen kracht en bekwaamheid, macht over gecompliceerde techniek en andere mensen. Geen wonder dat een ding dat zozeer de zinnen begoochelt ook politici in irrationele sferen kan brengen. Het besluit van minister Schultz van Haegen de maximumsnelheid te verhogen tot 130 kilometer is daarvoor tekenend.

Normaliter geeft de overheid geld uit om maatschappelijke verbeteringen tot stand te brengen. In dit geval spendeert zij 132 miljoen aan een maatregel die de verkeersveiligheid, het milieu en de leefomgeving van mensen verslechtert, alleen opdat „we” weer „lekker kunnen doorrijden”, in de woorden van VVD-Kamerlid Aptroot.

Over de blikvernauwing waarvan zo’n opmerking getuigt, schreef de dichter Levi Weemoedt ooit dat een automobilist de zon de schuld zal geven als er smog hangt over het land. „Wie zich buiten het automobilisme bevindt, weet dat het een zelfvernietigende begoocheling is, maar binnen de tovercirkel is men overtuigd van het eigen gelijk”, zei NRC-columnist Henk Hofland al in 1989 over dat verschijnsel. „Daar heeft zich een auto-centrisme ontwikkeld, met al zijn magie, irrationalisme en zelfbedrog.”

Als geen ander verschijnsel van de moderniteit symboliseert de auto verspilling van schaarse energiebronnen en een zorgeloze omgang met onze leefomgeving. Toch blijft hij onverminderd populair. Dat is niet het minst het gevolg van de vrijheidsromantiek die rond de auto hangt. Hoewel de grootste vrijheid van automobilisten in Nederland is zich te voegen naar de dagelijkse routine in de eindeloze stroom lotgenoten op de snelweg, al dan niet in de file, oefent de idee-fixe van de vrije automobilist die lekker kan doorrijden een krachtige invloed op de politiek uit.

In werkelijkheid gaat het gebruik van de auto gepaard met een inperking van de vrijheid van anderen dan de automobilist. De auto legt beslag op schaarse ruimte, bedreigt de veiligheid en degradeert de leefomgeving, hij ontneemt de kinderen speelruimte en bewegingsvrijheid, drukt fietsers van de straat en maakt van de wegen in de stad gevaarlijke barrières voor oudere of trage voetgangers.

Om te voorkomen dat de auto het privédomein binnendringt met zijn geluid en uitlaatgassen, worden steeds meer mensen opgesloten achter geluidswallen of in huizen en kantoren met dubbele ramen. De vrijheid een raam te openen bestaat in zulke gebouwen niet meer. Er is geen ontsnappen aan het kunstmatige klimaat van de airconditioning.

Ook buiten de steden tast de auto de leefomgeving aan. Wie op de kaart langs de wegen de contouren trekt van geur- en geluidshinder, ziet dat de overlast van de auto over een groter gebied reikt dan de luttele procenten puur asfalt waartoe de autolobby haar in de propaganda beperkt. In de wijde omtrek van snelwegen drukt de auto met zijn herrie en stank een stempel op het landschap. Deze gebieden behoren tot de stad noch het platteland en maken daardoor een ontheemde indruk. Wie hier niet in een auto zit voelt zich vervreemd van zijn omgeving.

De gemiddelde leeftijd waarop kinderen alleen naar school mogen fietsen, zonder begeleiding van een volwassene, is de afgelopen kwart eeuw gestegen van 6 tot 8,5. Dat komt onder meer door ouders die hun kinderen met de auto naar school brengen en de omgeving onveiliger maken. Die ontwikkeling beperkt kinderen in hun vrijheid zelf hun eigen omgeving te ontdekken.

Minister Schultz voert voor haar maatregel aan dat 130 kilometer per uur beter aansluit bij „de beleving” van de automobilist. „De automobilist wil het”, zegt haar politieke geestverwant Aptroot. Wat dan te denken van de vrijheid van automobilisten die 90 kilometer per uur op de snelweg prefereren omdat het milieu dan minder lijdt? Zij komen in de beeldvorming van Schultz en Aptroot te boek te staan als sukkelende stakkers die niet met de snelheid van deze tijd meekunnen.

Het lijkt een patroon in het handelen en denken van het kabinet om alles wat groot en machtig is te bevoorrechten, zoals autorijdend Nederland, ten koste van het kleine en het kwetsbare. In het cultuurbeleid houdt het theater of museum dat veel publiek trekt zijn subsidie, ten nadele van het experiment en andere kunstuitingen die hoog gegrepen zijn en daardoor nooit een groot bereik zullen hebben. In het integratiebeleid moeten de minder weerbaren zich voortaan op eigen kosten het Nederlandse burgerschap toeëigenen. In het ruimtelijke ordeningsbeleid schrapt Schultz tal van regelingen waarmee het rijk kwetsbare natuurlijke en cultuurhistorische waarden waarborgt en concentreert zij zich op projecten die voor de economie van belang zijn.

Vooral van de coalitiepartij die ‘rentmeesterschap’ en ‘solidariteit’ als beginselen heeft, het CDA, verbaast deze lijn. Een briefschrijver in Trouw vatte het mogelijke effect van het beleid op het milieu en deze partij afgelopen week treffend samen: ‘Dag vogels, dag bloemen, dag CDA.’

Marcel ten Hooven is freelance journalist. Zijn laatste boek is ‘U bevindt zich hier. Oriëntaties op maatschappij, politiek en religie’ (2010).

    • Marcel ten Hooven