Geld zij met ons; Quit putting a goddamn dollar sign on everything on this planet

Het economische denken is zeer diep in de samenleving doorgedrongen.

Bestuurders zijn daardoor veranderd in amorele en visieloze boekhouders.

Als ik een buitenaards wezen was en mij zou zijn gevraagd wat hier de belangrijkste religie is, zou ik ongetwijfeld hebben geantwoord: de economie.

Kijk maar om je heen. Zoals het middeleeuwse leven in het teken stond van de angst voor en de verering van God, zo is het moderne leven doordrenkt met de angst voor en verering van de economie. En dat blijkt niet alleen uit krantenkoppen als ‘Consumptie daalt, recessie dreigt’. Nee, ons hele denken, discours en zelfbeeld drijft op de notie dat wij als samenleving boven alles een economie vormen – crisis of niet.

In hun namen dragen politieke partijen nog verheven termen als democratisch, sociaal, groen en vrij, maar in de praktijk hadden ze beter PriceWaterhouseCoopers of Ernst & Young kunnen heten. Politici zijn, meer dan wat ook, boekhouders geworden. Partijprogramma’s tellen pas als ze zijn doorberekend door het CPB. Verkiezingen draaien om koopkracht, belastingdruk en staatsschulden. Ministers bekommeren zich om productiviteit, kostenbesparing en efficiency. Burgers zijn klanten. Patiënten zorgconsumenten. Studenten afnemers van het onderwijsaanbod. Immigranten goedkope arbeidskrachten. Bejaarden groeiende kostenposten. Het BNP de graadmeter van welzijn. En de presentatie van de nationale kosten- en batenbalans het ‘politieke hoogtepunt’ van het jaar.

Welkom in de BV Nederland.

Ook in de journalistiek is het economische denken tot in de haarvaten doorgedrongen. Dé maatstaf voor een succesvol medium is haar ‘bereik’ onder een door adverteerders als interessant bestempelde doelgroep. Bijlagen, websites en tijdschriften dienen steeds vaker als ‘umfeld’ voor de reclames eromheen, oftewel: meer lifestyle en minder aidsdoden graag. Journalistieke relevantie is: (kliks + retweets) x Kamervragen. Er zijn zelfs mediakanalen – Het Financieele Dagblad, RTL Z – volledig gewijd aan het beschrijven van de maatschappij in economische termen, een eer die geen enkele andere sociale wetenschap toekomt. Over eer gesproken: economie is ook de enige ‘zachte’ wetenschap met een eigen Nobelprijs.

En zelfs in ons alledaagse leven zijn de economische parameters niet meer weg te denken. Het krijgen van kinderen wordt langs de meetlat van de carrière bepaald. Succes is: status keer salaris. En geluk is: succes keer vrije tijd. Die vrije tijd „besteden” we – het liefst aan winkelen.

Het economische denken is zo alomtegenwoordig dat je haast zou vergeten dat het nog geen tweehonderd jaar gemeengoed is om de samenleving door die bril te bekijken. De term economie is weliswaar al meer dan tweeduizend jaar oud, maar het Oud-Griekse oikonomia waar het van is afgeleid betekende niet meer dan ‘organisatie van het huishouden’. En ook in het feodale tijdperk bestond er wel zoiets als een economie, maar geenszins als onderwerp van serieuze theorievorming – laat staan als synoniem voor ‘de maatschappij’.

Die theorievorming begon pas bij de 18de-eeuwse Britse denker Adam Smith (1723-1790). Bij hem is begonnen wat de Raad van Openbaar Bestuur in 2010 de „economisering” van ons wereldbeeld heeft genoemd. Denken in termen van rechtvaardigheid en algemeen belang werd ingeruild voor denken in termen van marktwerking, doelmatigheid en rendement. Van Adam Smith, via denkers als Friedrich von Hayek en Milton Friedman, loopt een rode draad naar Prinsjesdag.

Maar waar is dit prisma op de samenleving op gebaseerd? In een tijd dat het evangelie van groei en koopkracht wordt beleden, planbureaus de moderne orakels van Delphi zijn, beursvloeren de altaars vormen voor onze gebeden en markten het Laatste Oordeel vellen over beleid, dringt die vraag zich steeds nadrukkelijker op. Welk geloof gaat er schuil achter Brusselse kerkdiensten over noodfondsen, kapitaalbuffers en rentestanden? Durft iemand de heilige graal van AEX en BNP nog te betwijfelen?

Vooropgesteld: twijfel mag nog geen aanleiding zijn het begrip ‘economie’ bij het grofvuil te zetten en voortaan alleen nog te denken in termen van liefde en romantiek. Daarvoor heeft het gedachtegoed van Adam Smith en andere economen te veel vruchten afgeworpen. Hun modellen hebben ons, naast een paar afschuwelijke rationalisaties voor uitbuiting en een paar onvoorziene crises, ongekende welvaart gebracht.

Zonder hun theorieën zaten wij hier nu waarschijnlijk niet te genieten van een gemiddeld jaarsalaris van 32.000 euro bruto en een oudedagsvoorziening waar je – ondanks de crisis – u tegen zegt. Sommige Occupy-demonstranten mogen dan bordjes omhoog houden met teksten als ‘Make Love Not Money’, het is en blijft geld waar die bordjes van gemaakt zijn; iets waar vooral economen van doordrongen lijken.

Maar dat wil niet zeggen dat hun wereldbeeld geen beperkingen kent. Uiteraard bestaan er fundamentele verschillen tussen de talloze economische scholen. Toch ligt er aan mainstream economics, dat sinds de jaren tachtig het publieke discours is gaan domineren, wel een aantal premissen ten grondslag die op zijn best betwistbaar en op zijn slechtst ongegrond zijn gebleken.

De belangrijkste daarvan is dat de mens een zuiver rationeel wezen is. Dit mensbeeld, waarvan de oorsprong in het eveneens 18de-eeuwse Verlichtingsdenken ligt, heeft als aanname dat de redenen die mensen geven voor hun gedrag per definitie ook de oorzaken zijn van dat gedrag. Voor economen geldt: redenen zijn oorzaken. Analyse en raming van consumentengedrag, beursfluctuaties, economische prikkels of overheidsbeleid zijn immers alleen mogelijk als er een causaal verband kan worden gelegd tussen menselijke gedragingen en de rationalisaties ervan.

De recente neurowetenschap heeft dit mensbeeld sterk aan het wankelen gebracht. Inmiddels weten we dat het menselijk handelen veel onbewuster, emotioneler en impulsiever van aard is dan in de 18de en 19de eeuw werd gedacht. Iets om in het achterhoofd te houden als een noodfonds er weer eens niet in is geslaagd „de markten gerust te stellen”. Of als het CBS weer met waarschuwende cijfers over het „consumentenvertrouwen” naar buiten komt. Reagerende beurzen en calculerende consumenten vertellen ons ongeveer even veel over de wereld als creationisten over het dierenrijk.

Daarnaast gaan bijna alle economische modellen uit van het ceteris paribus-principe – ofwel: onder gelijk blijvende omstandigheden. Dit principe geldt voor alle wetenschappelijke disciplines (‘objecten vallen allemaal even snel, mits de luchtweerstand hetzelfde is’), maar in de economie is het vertrouwen erin veel groter dan de werkelijkheid rechtvaardigt. In de tijd van Smith was ceteris paribus nog niet zo’n problematisch uitgangspunt: economieën waren duidelijker afgebakend en aanzienlijk minder complex. Zodoende hadden economische ramingen grote zeggingskracht.

Maar in een tijd van geïntegreerde financiële markten, gigantische internationale geldstromen en wereldwijde handel onder het vergrootglas van alomtegenwoordige massamedia is ‘onder gelijkblijvende omstandigheden’ een stuk minder houdbaar geworden. De wereld is alleen al in economische zin vele malen veranderlijker geworden, om van grensoverschrijdende ontwikkelingen als klimaatverandering, terrorisme of razendsnelle technologische innovatie nog maar te zwijgen.

Economen zijn – om met de woorden van risicoanalist en filosoof Nassim Taleb te spreken – blind voor „zwarte zwanen”, ofwel: „het hoogstonwaarschijnlijke met grote gevolgen”. Een omvallende bank, een politieke moord, een plotselinge doorbraak in de wetenschap: ze zijn niet te ramen, maar hebben meer impact dan ooit. Goed om te weten als het Centraal Planbureau weer met, bijvoorbeeld, economische prognoses naar buiten komt. Van de 37 voorspellingen in de laatste dertig jaar waren er drie correct. Zeven keer voorzag het CPB een groei, terwijl er krimp volgde – vier keer andersom. Toch blijven we hun profetieën naleven als waren ze de Tien Geboden.

Tezamen vormen deze twee tekortkomingen het derde gebrek van het economische wereldbeeld, namelijk: haar amorele karakter. Een wereld die louter bestaat uit rationele en materiële processen, zonder dat morele principes of affecties daar een rol van belang in spelen, beschrijft de wereld niet alleen onvolledig – ze beschrijft haar zelfs uitzonderlijk slecht.

Nu durf ik te beweren dat de meeste economen zich volop van deze tekortkoming bewust zijn, maar helaas lijken politici, beleidsmakers en CEO’s dat maar al te vaak niet. De huidige bestuurlijke klasse is zo bevangen door de samenleving als economie en de mens als homo economicus dat zij door de jaarcijfers het morele doel niet meer ziet.

Zestien minuten lang sprak premier Rutte vorige week het VVD-congres in Zaandam toe. En bijna zestien minuten lang ging het over de „verdienkracht van de Nederlandse economie” en de „rust op de financiële markten”. Hoe Nederland er over dertig jaar uit zou zien – Hebben we allemaal een zonnepaneel op ons dak? Volgen studenten virtueel college? Worden we gezonde 100-plussers door revolutionair stamcelonderzoek? – kwam nagenoeg niet ter sprake.

Natuurlijk: no money, no glory. Maar een premier die uitsluitend „herstel van economische groei” en „sanering van de overheidsfinanciën” als zijn taken ziet, is geen premier maar een accountant. Zoals een minister die alleen „concurrentie wil bevorderen” of „doorstroom naar de arbeidsmarkt wil vergroten” een manager is. Deze leiders zouden er goed aan doen de taal van groei vaker gepaard te laten gaan met die van rechtvaardigheid. Kwartaalcijfers net iets vaker af te wisselen met een toekomstvisie. Welvaart net iets vaker te vervangen door welzijn.

Of, zoals de Amerikaanse komiek Bill Hicks het meer onomwonden formuleerde: „Quit putting a goddamn dollar sign on everything on this planet.”

Amen.

Rob Wijnberg is hoofdredacteur van nrc.next

    • Rob Wijnberg