De opdracht om alleen te zijn

Toen ik uit nieuwsgierigheid een sleepnet door mijn brein haalde en weer optrok om te kijken wat ik de laatste tijd had gedacht, zaten er een paar haringen in, een roze barbiepop zonder hoofd, een tennisschoen in maat 47, drie grapefruits, een vleugelmoer van een Boeing 737 en een Duits citaat over alleen zijn.

Hoe die barbiepop in mijn hoofd is terechtgekomen, vertel ik u later nog weleens, als we elkaar wat beter kennen. Nu was ik allereerst blij met de vangst van het vooroorlogse citaat van Hans Schlesinger, uit zijn toneelstuk Harlekinade. Ik moet u er wel meteen bij vertellen dat alle geleerden van Nederland me tegenwoordig bars toeblaffen dat ik niet mag citeren, omdat je citaten moet vermijden, verdienen, verklaren en vertalen, maar ik kan het niet helpen. Ik doe het niet zelf. Het is mijn brein. Hierin speelt zich nu eenmaal weinig oorspronkelijks af. Het is een rovershol, een onderzeese schatkist vol gestolen juwelen.

De Duitse filosoof Hans Schlesinger schreef het spel Harlekinade voor zijn latere vrouw Zäzilie – ‘Cilli’ – Wang, in de jaren dertig van de vorige eeuw. Later zouden ze naar Nederland vluchten en daar volgens de berichten voortwerken aan een uitbundig universum van moderne dans, komedie en acrobatiek, onder invloed van Johann Wolfgang von Goethe en Walt Disney. Helaas weet ik hier niet zo veel van, maar het citaat zweefde dus door mijn hoofd. Nu haalde ik het boven water. Das ist mein Spiel: ich spiel, da ich allein, / zu zwein zu sein, vielleicht sogar zu drein. / Ich spiel mir vor, ich wäre doppelt viele, / Ich spiele, dass ich spiele, dass ich spiele.

Dat deze oude tekst plotseling in me opdook, kwam doordat ik dacht aan historicus Johan Huizinga en aan zijn boek over de spelende mens. Je zou soms haast vergeten dat spelen een van de belangrijkste bezigheden is van de mensheid. Gelukkig schreef Huizinga er een serieus te nemen boek over. Dit bewijst maar weer dat we er weleens aandacht aan mogen besteden. Huizinga zei dat het spel het „supralogische karakter” aantoonde van onze situatie in de kosmos. In 1938, een paar jaar na Hans Schlesinger, schreef hij: „Wij spelen, en weten, dat wij spelen, dus wij zijn meer dan enkel redelijke wezens, want het spel is onredelijk.”

Goed – nog één stap en we zijn er. Dat ik aan het boek van Johan Huizinga dacht, kwam doordat ik een essay van Micha Wertheim las, Satire in het tijdperk van de manische reproduceerbaarheid. Dit essay ging over dat uitstapje vanuit het echte leven waarop alles „maar voor de grap” is, zoals Huizinga zou zeggen: het domein van de spelende mens. Wertheim schreef het verstandigste dat ik in lange tijd heb gelezen over onze onredelijke situatie in de kosmos. Hij schreef dat ieder mens alleen is in een wereld vol tegenstrijdigheden en dat het niet ongevaarlijk is elkaar dat besef te laten vergeten.

In het spel is het mogelijk het gevoel van eenzaamheid op te heffen met behulp van grappen. Hierbij komt het simpele vertier te pas, dat je ontslaat van de plicht individueel positie te kiezen. „Ik stel voor”, zegt Wertheim, „kunst die als doel heeft ons te laten vergeten dat we alleen zijn, voortaan amusement te noemen.” Dit is niet naar bedoeld. Voor zulk amusement is best iets te zeggen. Zelfs Huizinga schrijft vriendelijk over de ‘fun’ en ‘aardigheid’ van het spel.

Als je evenwel steevast beschutting zoekt in het collectieve gelijk van een groep, denk je al gauw niet meer zelf na. Even later denk je helemaal niet meer na. „Dat is ook een reden dat ik me ongemakkelijk voel bij satirici die politieke meningen verkondigen die door hun publiek worden gedeeld”, schrijft Wertheim. Mensen die hun publiek louter bevestigen, bieden dat publiek niet veel meer of veel minder dan de mogelijkheid het brein uit te schakelen. Ze bevolken een populistische samenleving, „waarin gedacht wordt dat je populisme met populisme kunt bestrijden”.

Hier aangekomen dacht ik even aan de TU Delft. Die heeft zojuist een cabaretier ingehuurd als cultural professor, om studenten bij te staan in een technisch project. Gevraagd naar zijn leeropdracht zei deze nieuwe docent in Het Parool: „De bedoeling is dat we grenzeloos bezig zijn, tegen het gedachtegoed van de PVV in.” Een lichte rilling liep over mijn rug bij dit bericht. Mocht deze technische universiteit daadwerkelijk een technisch project hebben opgezet onder een collectieve politieke vlag, dan is de plicht tot individueel nadenken daar kennelijk afgeschaft.

Maar goed. Ich spiel, da ich allein, zu zwein zu sein, vielleicht sogar zu drein. Nu we de opdracht hadden gekregen alleen te zijn bij het spelen, kwam mijn brein met dat citaat van Schlesinger op de proppen. Dit bracht de vrolijkheid weer terug in het spel. De verplichting alleen te zijn, klonk er althans een stuk gezelliger door. Ik poetste het citaat op tot het blonk en gooide het met een zwierige boog terug in het water. Daar kon ik haar een volgende keer wel weer eens opvissen.

    • Marjolijn Februari