Voetbal heeft historie geschreven in Polen

Polen en Oekraïne – het zijn misschien niet de grootste voetbalnaties waar het EK 2012 gehouden wordt. Maar de sport speelt er wel een grote rol in het dagelijks leven. Redacteur Koen Greven reisde naar Gdansk en Charkov waar Nederland het EK begint. Op zoek naar de ziel van het Oost-Europese voetbal.

In hun groen-zwarte trainingspakken lopen Julius (13) en Jakob (11) Letniowski lachend achter elkaar aan door de Ierse pub Scruffy Murphy’s in de volkswijk Wrzeszcz. Ze hebben geen oog voor de televisieschermen waarop te zien is hoe de Poolse koploper Slask Wroclaw het nietige Zaglebie Lubin met 5-1 te kijk zet. Vader Sebastian (36) en grootvader Marian (66) gaan aan de kroegtafel terug naar 28 september 1983. De dag dat hun club, Lechia Gdansk, het Italiaanse Juventus ontving. „Een van de eerste wedstrijden die ik bezocht”, zegt de Poolse beach soccer international Sebastian. „Dat was wat. Het grote Juve, met Michel Platini en Zbigniew Boniek. We kwamen nog wel op voorsprong maar verloren nipt met 3-2.”

Marian, gepensioneerd elektrotechnisch ingenieur, krijgt een twinkeling in zijn ogen. „Het was natuurlijk veel meer dan voetbal”, zegt hij. „Tijdens de wedstrijd werd Lech Walesa binnengeloodst. Wij zaten zomaar opeens een paar rijen achter hem. Het nieuws ging als een lopend vuurtje over de tribunes. Walesa ging staan, maakte een V-teken en het hele stadion ontplofte. De fans van Lechia steunden hun club én Walesa.” Sebastian: „Ik kan me de spreekkoren op de tribunes nog herinneren. Kippenvel. Maar ik was toen te jong om te begrijpen wat er gebeurde. Dat heb ik pas achteraf beseft. Ik probeer het nu wel eens aan mijn kinderen uit te leggen, maar zij kunnen zich er weinig bij voorstellen. Alles was anders. Ga ze maar eens uitleggen dat eten op de bon was. Ik weet nog dat we voedselpakketten uit Nederland kregen.”

De familie Letniowski vertegenwoordigt drie generaties fans van Lechia Gdansk. De oudere supporters willen de successen van de politieke strijd niet vergeten. Op de tribunes hangen nog altijd spandoeken van vakbeweging Solidarnosc. ‘Wij hebben historie geschreven’, luidt een strijdleus van de aanhang. De club bungelt dit seizoen in de onderste regionen van de Ekstraklasa. Trainer Tomasz Kafarski moest vorige maand het veld ruimen. Maar er gloort hoop voor de zwart-groene supporters. De schitterende PGE Arena is de nieuwe trots van de club en de stad. „Ik zal daar helaas als voetballer nooit meer komen spelen, maar mijn kinderen kunnen daar nu wel van dromen”, zegt Sebastian.

In Gdansk dringt langzaam het besef door dat de havenstad over ruim een half jaar een van de acht plaatsen is waar het EK voetbal wordt gehouden. Julius en Jakob kunnen niet wachten tot de wereldsterren komen. De stad is nu nog één grote bouwput, maar het contrast met vier jaar geleden is groot. Toen Polen in april 2007 samen met Oekraïne als organisator werd aangewezen was dat een geweldige schok. De burgemeester werd voor gek verklaard. „Niemand wist eigenlijk dat we een serieuze kandidaat waren”, zegt Marian. „Sinds de benoeming van Karol Wojtyla tot paus in 1978 ben ik niet meer zo verrast geweest.”

In de Groene Poort, in het hartje van het oude centrum van Gdansk, houdt Lech Walesa kantoor. De scheepswerf waar hij als elektromonteur de onafhankelijke vakbond Solidarnosc in de tachtiger jaren van de vorige eeuw oprichtte, ligt op twintig minuten lopen. De 68-jarige Walesa, vorig jaar benoemd tot ‘vriend nummer 1’ van het EK voetbal in Polen en Oekraïne, zit in zijn werkkamer. „Politiek en sport kunnen zich aan elkaar optrekken”, zegt Walesa. „Misschien zijn we nog niet in staat om de Olympische Spelen te organiseren. Maar wel een EK. Dat is al heel wat. We kunnen laten zien dat Polen een modern land is geworden dat zich nergens voor hoeft te schamen. Het vertrouwen in eigen kunnen is toegenomen.”

Politiek en sport in Gdansk gingen ook vroeger hand in hand. „Het communisme verbood ons samen te komen. Dat kon wel bij Lechia, een club van vechters. Daar konden we laten zien dat we sterk waren. Ik was niet bang toen ik in 1983 tijdens de wedstrijd tegen Juventus op de tribune stond. Ik moest daarheen. We vochten samen tegen het communisme.”

De organisatie van het EK kan Polen een stap dichter bij West-Europa brengen, zegt de oud-president: „We liggen in midden in Europa. Daar moeten we gebruik van maken. God heeft ons deze plek gegeven. In de oorlogstijd was het de moeilijkste plek. Maar in vredestijd is het juist perfect. En tijdens het EK staan we ook nog eens in het middelpunt van de belangstelling.”

„Ik zie ons land het EK niet winnen”, zegt Pawel Orlowski. De voormalige parlementariër voor het Burgerplatform zit in een restaurant in de kustplaats Sopot, nabij Gdansk. „Ik weet uit ervaring hoe groot de impact van voetbal kan zijn. Toen we in 1982 derde op het WK werden was ik een klein jongetje. De mascotte van het toernooi staat nog altijd op mijn netvlies gebrand: een sinaasappel.”

Het wereldkampioenschap van 1982 in Spanje vormde het laatste hoogtepunt van het Poolse voetbal. De ploeg van wereldster Zbigniew Boniek en de oude held Grzegorz Lato schitterde voor het oog van de wereld.

„Dit was het dreamteam van coach Piechniczek”, zegt Marian Letniowski. „Het was een donkere tijd voor Polen. Maar dat toernooi gaf ons een gevoel van erkenning. ‘Hoop’, is een te groot woord. We waren eigenlijk al vervuld van blijdschap dat we aan de wereld konden laten zien dat we nog bestonden. Ons nationale elftal heeft sindsdien nooit meer zo goed gepresteerd. En het is maar de vraag of we ooit nog een rol van betekenis zullen spelen.”

Pawel Orlowski moet erkennen dat met de val van het communisme een groot deel van de sportopleiding is verdwenen. „Onder het communisme was sport belangrijk. Sporters hadden aanzien en kregen de kans naar het buitenland te gaan. Ze konden zich helemaal richten op hun carrières. De discipline was enorm. Met de komst van de democratie verdween die sportstructuur. Nu is sport recreatie. Heel vrijblijvend allemaal. Voor succes moet je weer structuur en discipline aanbrengen.”

Nog altijd zijn Lechia Gdansk en de politiek nauw verbonden. De huidige premier van Polen, Donald Tusk, is de bekendste fan van de club. Wel haalde Tusk zich met maatregelen om het supportsgeweld te beteugelen de woede op de hals van de Lechia-aanhang. Orlowksi: „Op Oudejaarsdag speelt Tusk altijd samen met andere politici een partijtje voetbal. Ik heb daar ook meerdere malen aan meegedaan. Door het hele land heeft hij veldjes in steden en dorpen aan laten leggen. Daar moeten de nieuwe helden worden opgeleid.”

Sebastian Letniowski is naast beach soccer international ook trainer van verschillende jeugdteams. Hij heeft een hard hoofd in de toekomst van het Poolse voetbal. „In de dorpen dienen de veldjes als ontmoetingsplaatsen”, stelt Sebastian. „Daar werkt het wel. Maar in de steden is dat anders. De kinderen hebben veel meer interesses dan voetbal. Computers, games, televisie, noem maar op. Hier bij ons in de wijk Wrzeszcz is van het sportveld niets overgebleven. Er is een speeltuin van gemaakt. Politici willen graag resultaten en succes zien. Maar daar gaat het niet om. Het plezier moet voorop staan. Dan komen de nieuwe helden vanzelf.”

Julius en Jakob Letniowski komen even bij de tafel in de Ierse pub staan. Voor grootvader Marian is Lato de grootste Poolse voetballer, Sebastians idool is Boniek. En wie zijn de voorbeelden voor de jeugd? Doelman Wojciech Szczesny? Aanvaller Robert Lewandowski? Beide jongens schudden het hoofd. Julius: „Andrés Iniesta.” Jakob: „Arjen Robben.”