Temperatuurstijging aarde misschien minder groot

Misschien dat het ergste toch niet komt. Het zou kunnen dat de temperatuurstijging die van de almaar toenemende CO2-concentratie in de atmosfeer wordt verwacht uiteindelijk meevalt. Een verdubbeling van die CO2-concentratie zou dan niet leiden tot een opwarming van 3 graden Celsius maar van 2,3 Celsius.

Een Amerikaanse onderzoeksgroep komt met deze suggestie na een computer-reconstructie van het klimaat zoals dat tijdens het dieptepunt van de laatste ijstijd (LGM: Last Glacial Maximum) waarschijnlijk was. De groep, aangevoerd door Andreas Schmittner van Oregon State University, publiceerde in Science Express (online 24 november).

De mondiale temperatuurstijging die van een verdubbeling van de CO2-concentratie wordt verwacht heet in vakkringen de klimaatgevoeligheid. Vóór het begin van het industriële tijdperk rond 1780 was de concentratie ongeveer 280 ppm (dat is 0,028 volumeprocent). Inmiddels is hij al 380 ppm. Bij een concentratie van 560 ppm, die in de volgende eeuw bereikt kan worden, zou de mondiaal gemiddelde temperatuur volgens het laatste IPCC-rapport met 3 graden kunnen zijn opgelopen. Maar deze waarde is zeer onzeker, hij ligt ergens tussen 2 en 4,5 en hogere waarden, 6°C en meer, zijn niet ondenkbaar. Het is klimaatonderzoekers de laatste dertig jaar niet gelukt betere schattingen te maken.

De klimaatgevoeligheid lijkt het makkelijkst af te leiden uit de temperatuurstijging zoals die zich voltrok toen de atmosfeer tussen 1780 en nu van 280 naar 380 ppm CO2 trok: ongeveer één graad Celsius. Maar het probleem is dat de aarde, door de traagheid van ijskappen en oceanen, nog niet in evenwicht is met deze nieuwe CO2-waarde, die onverminderd doorstijgt. De gevoeligheid wordt daarom berekend met klimaatmodellen die nauwgezet de aardse energiehuishouding nabootsen en zo goed mogelijk de reacties van oceanen, ijskappen en vegetatiezones in rekening brengen.

Schmittner en collega’s werkten een derde mogelijkheid uit, zoals vier andere groepen al eerder deden. Uit ijsmonsters is met grote zekerheid af te leiden dat de CO2-concentratie tijdens het LGM (ongeveer 21.000 jaar geleden) circa 180 ppm was. Uit slibmonsters van oceaanbodems en ander paleoklimatologisch onderzoek is het toen heersende klimaat redelijk te reconstrueren – en dat gaat steeds beter. Met behulp van een vereenvoudigd klimaatmodel en die 180 ppm als uitgangspunt berekenden Schmitt c.s. hoe groot de klimaatgevoeligheid zou moeten zijn om de waargenomen klimaatzones zo goed mogelijk na te bootsen. Dat leverde die waarde 2,3 op. Cruciaal is dat zij vaststellen dat hij niet heel veel meer dan 2,6°C kan zijn geweest.

Ongelukkig genoeg is hun beste klimaatreconstructie nog zeer gebrekkig. In een begeleidend kritisch commentaar wordt daar de nadruk opgelegd. Eigenlijk is nog onvoldoende nauwkeurig bekend tot hoever de ijskappen reikten tijdens het LGM en hoe groot toendra’s en bosgebieden waren. De exercitie komt te vroeg.

Karel Knip

    • Karel Knip