Sneu vrouwtje wil afslanken

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: afvallen.

Voor feministen ben ik verdacht. Ik schrijf niet over mijn aambeien, smegma en okselhaar, zoals de Duitse schrijfster Charlotte Roche. Ik presenteer mijzelf niet als een perverse vrouw met verdorven lusten en verlangens, zoals de Amerikaanse pornoster Sasha Grey. En ik zie vetzucht niet, zoals de Engelse psychoanalyticus Susie Orbach, als een vorm van protest tegen de allesoverheersende schoonheidsindustrie. Ik wil gewoon twee kilo afvallen.

De drie bovenstaande vrouwen werden onlangs in een artikel op de opiniepagina van NRC Handelsblad neergezet als überfeministen. In hun ogen ben ik met mijn afslankwens natuurlijk een sneu vrouwtje, een slachtoffer van de seksualisering van de samenleving. In de ogen van veel anderen ben ik gewoon ‘ongezellig’: ‘Hoezo wil jij geen roomboterstaaf? Doe niet zo flauw, je bent toch helemaal niet te dik?’

Want zo gaat dat: slanke mensen krijgen altijd ongevraagd commentaar van minder slanke mensen. „Zeg, je wordt wel heel erg dun”, kreeg ik tijdens mijn scheiding te horen, toen in mijn keel een prop verdriet vastzat waardoor er geen hap meer door kon. „Je moet echt meer eten hoor. Zo’n ingevallen smoeltje staat je niet.”

Goed bedoeld natuurlijk, maar stel nu dat ik van de stress was aangekomen. Het is ondenkbaar dat iemand dan goeiig zijn arm om me heen had geslagen en had gezegd: „Moet jij niet eens een beetje minder gaan eten. Je wordt echt te dik hoor. Je krijgt ook zo’n opgeblazen kop.”

Maar waarom is dat ondenkbaar? De kloof tussen dunnerds en dikkerds groeit met de dag. Bijna de helft van de Nederlanders is te dik. Ruim tien procent lijdt aan obesitas. Eenderde van de kinderen heeft overgewicht. Waarom laten we dat gebeuren? Waarom schrijft niemand een vlammend essay dat ons de schellen van de ogen doet vallen? ‘Het obese drama’ zou dat artikel kunnen heten. Of nee, beter meteen een dik boek: een historische, sociale en culturele studie met als titel Het land van aankomen. Dat boek zou een maatschappelijk debat over onze vraatzuchtige samenleving op gang kunnen brengen en pijnlijk duidelijk maken dat dunnerds en dikkerds langs elkaar heen leven en dat wat we tolerantie noemen in wezen onverschilligheid is.

Een verklaring voor die onverschilligheid geeft de Britse columniste Caitlin Moran in haar hilarische boek How to be a woman: van alle verslavingen staat vraatzucht onderaan in de pikorde. Wie aan de coke is, heeft een air van rock ’n roll om zich heen. Wie de fles niet kan laten staan, is een romantische outcast. Maar wie aan vraatzucht lijdt, is een stakker. Want terwijl drank- en drugsverslaafden heroïsch in de goot liggen, blijven overeters gewoon op hun werk verschijnen en voor hun kinderen zorgen.

Het zou helpen, schrijft Moran, als we koolhydraten net zo sexy gaan vinden als cocaïne en alcohol. Ze beschrijft hoe je dat kunt doen. Verschijn ’s ochtends steunend en puffend op kantoor en zeg: „Man, je wilt niet weten hoe ik gisteravond ben losgegaan op de shepherd’s pie. De PUREE zat om tien uur al tot in mijn WENKBRAUWEN. I was on a total mince rush!” Of storm het huis van een vriendin binnen, schud je tas leeg boven de eettafel en roep paniekerig : „Het was een HEL vandaag met de kinderen. Ik heb dringend zes pakjes cream crackers met kaas nodig. NU METEEN, anders word ik helemaal gek.”

Mensen proppen zich om dezelfde reden vol als waarom ze drugs of alcohol gebruiken, schrijft Moran. Als we dat gaan inzien, dan halen de dunnerds hun knokige schouders misschien niet meer op over de dikkerds. En dan accepteren de dikkerds het wellicht als ik zeg: „Nee, voor mij geen pepernoten, ik ben al twee maanden clean.”

    • Monique Snoeijen