Ontwikkelingssamenwerking is iets van de vorige eeuw

De begroting voor ontwikkelingshulp kan de ondergang van de regering zijn. Maar voor de derde wereld is westerse hulp net zo verleden tijd als mannen op klompen, betoogt Robbert van Lanschot.

Geert Wilders eist dat de begroting voor ontwikkelingshulp omlaag gaat. Het is immers crisis. De regering wil echter vasthouden aan 0,7 procent van ons bnp. Stel nou eens dat de PVV het wint, zou dat erg zijn? Ja. Het zou in Den Haag zelfs tot de val van de regering kunnen leiden. Maar zou het ook erg zijn voor Afrika, het continent waar het leeuwendeel van onze hulp naar toe gaat? Nee. Ontwikkelingssamenwerking speelt daar geen essentiële rol meer. Ze is er de afgelopen tien jaar steeds meer een non-issue geworden. In het nieuwe, dynamische, snel globaliserende Afrika zijn nu andere zaken aan de orde. Niemand praat er nog over ‘hulp’ of in termen van ‘ontwikkelingsprojecten’, afgezien van enkele politici en technocraten.

Het continent richt zich steeds meer op Azië. Neem ons partnerland Ethiopië. Toch het klassieke hulp-land bij uitstek, zou je zeggen. Maar kijk op de drukke luchthaven van Addis Abeba eens naar dat bord met vertrekkende vluchten. Het aantal vliegtuigen richting Azië is nu vier keer groter dan het aantal richting Europa. Wie het in Afrika over Azië heeft, heeft het over ‘business’, niet over hulp. Wat Afrika nu opstuwt is niet hulp maar hebzucht. Gordon ‘Greed is good!’ Gecko zou er tevreden rondkijken. Volgens de Wereldbank heeft het Afrika van beneden de Sahara dit jaar een economische groei van 5,8 procent. Althans, als je Zuid-Afrika niet mee weegt, dat op een relatief slome 3,5 procent is blijven hangen. Ghana dit jaar: 10 procent. En persbureau Bloomberg voorspelt voor Angola voor 2012 ook 10 procent. Portugal, Angola’s voormalige koloniale heerser heeft dezer dagen in Luanda beleefd aangeklopt om financiële steun. Sic gloria transit.

Een paar dagen geleden kreeg ik een e-mail van de manager van Kenya Airways in Burundi. Hij vroeg me toestemming om de door hem gehuurde kantoorruimten in het Sabena-gebouw in hoofdstad Bujumbura om te gooien. Dat gebouw heb ik in 2003 op de kop kunnen tikken uit de failliete boedel van Sabena. De staf van Kenya Airways barstte uit zijn voegen. En, zo schreef hij, zijn bedrijf verwachtte voor de komende jaren een ‘steep growth’. Nu is het zo dat het aantal vluchten tussen Bujumbura en Nairobi de afgelopen jaren explosief is gegroeid. Toen ik in 2002 voor het eerst naar Burundi reisde, waren er vier vluchten per week. Nu zijn het vier per dag. Binnenkort worden het er nog veel meer – een ware shuttle zoals je die hebt tussen New York en Washington.

Wat heeft dat met ontwikkelingssamenwerking te maken? Niets. En dat is dus precies mijn punt. Het afgelopen decennium werd geen enkele verrassende of belangrijke ontwikkeling in Afrika nog aangejaagd door gouvernementele ontwikkelingshulp. Met uitzondering wellicht van het terugdringen van aids. Die komende shuttle-dienst van Kenya Airways duidt bovenal op een snel groeiende Afrikaanse bourgeoisie. Trouwens, ook de armen gaat het beter. Als je gewone Burundezen vraagt hoe het er mee staat, luidt het antwoord steevast: ‘Ça va très mal.’ Maar als de piloot aankondigt dat de daling naar Bujumbura wordt ingezet en je kijkt uit je raampje, zie je overal in de dorpen de nieuwe golfplaten daken fonkelen in het zonlicht.

Soms is een periode voorbij. Daar kun je je maar beter bij neerleggen. Postzegelverzamelaars, hoorspelen op de radio, mannen op klompen. Ze zijn niet ineens helemaal verdwenen. Maar je voelt dat ze niet meer bij deze tijd passen. Zo is het ook met ontwikkelingssamenwerking. Die behoort bij de vorige eeuw. Met hulpgeld, en zeker met noodhulp, kun je in Afrika natuurlijk nog steeds nuttige dingen doen. Maar in het grotere geheel is het effect nauwelijks nog meetbaar.

Afrika is in beweging. Er waait een economische lentewind. Het oude, introverte, geïsoleerde, statische Afrika bestaat ook nog, maar daarvoor moet je wel heel diep het binnenland ingaan. Internet, Western Union, stijgende grondstofprijzen, sociale media, ’s avonds Big Brother Africa op de televisie, vervagende grenzen, Chinese bouwvakkers, een wereldwijde diaspora die geld en iPods en ideeën terug naar huis stuurt – het gaat te snel om allemaal bij te houden. Nog maar vijf jaar geleden was Dubai voor Afrika de marktplaats bij uitstek. Dit jaar is die stad alweer passé, meer een plek voor losers. Nu probeert iedereen zijn spullen rechtstreeks te halen bij de leveranciers in Bangkok en Mumbai en Ho Chi Min-stad en Guangzhou.

Western Union, tien jaar geleden nog een topper, is overigens binnen Oost-Afrika alweer ingehaald door Mpesa. De ‘M’ staat voor mobiel en ‘pesa’ betekent in het Kiswahili ‘betalen’. Zo ongeveer iedere Keniaan, ook in de slums, loopt nu rond met een rekening courant op z’n mobieltje. Betalingen en crediteringen lopen via gecodeerde sms-berichten. De minimum toegestane overmaking is 20 Keniaanse shilling (15 cent). Het maximum is ruim twaalfhonderd euro per keer. Het geld arriveert in realtime op de mobiel van de ontvanger. Geldovermakingen die in Nederland ten minste een werkdag kosten, nemen in Kenia tegenwoordig slechts luttele seconden in beslag. Dat geldt ook voor internationale betalingen in de regio – van laten we zeggen Mombasa of Dar-es-Salaam naar Gulu in Noord-Oeganda, of naar Juba in Zuid-Soedan. Er is een supersnel metabancair betaalcircuit ontstaan dat oneindig veel mogelijkheden biedt. Voor ons iets om jaloers op te zijn. Vier jaar geleden bestond Mpesa nog niet en nu kan niemand meer zonder. Kijk, dat is het nieuwe Afrika.

Staatssecretaris Knapen voor Ontwikkelingssamenwerking heeft zijn beleid eerder dit jaar ontvouwd in een ‘Focusbrief’. Het is een saai, ambtelijk stuk. Zijn schrijven was gericht aan diagonaal lezende Kamerleden en gelukkig niet aan ons. Er wordt gerept over „speerpunten” en over „doorsnijdende thema’s” en over ongetwijfeld nog trancherender „dwarsdoorsnijdende aandachtsgebieden”. Knapen is duidelijk gefascineerd door scherp gerande dingen. Zo schrijft hij dat hij mikt op „dwarsdoorsnijdende aandachtsgebieden die vooral in dienst van de speerpunten worden ingezet”. Wat moet je daar nou mee? Is dit iets wat je in Afrika kunt of wilt overbrengen? Wat mij betreft is die Focusbrief een groot bord kleffe havermoutpap. Nergens een moment van bezieling. Nergens iets sprankelends. Nergens een „vision thing”, zoals Bush senior dat placht te noemen. Er staan echt wel een aantal nuttige en verstandige zaken in. Maar er wordt je geen moment gegund waarop je ook maar even denkt van yes – tjakka! – hier moet vier miljard euro naar toe!

Onze ambitie is officieel dat de Nederlandse ontwikkelingshulp zichtbaar „verschil maakt”. Maar het lijkt haast of ook Knapen beseft dat daarvoor in het hedendaagse Afrika geen ruimte meer is. Omdat er al te veel gebeurt en alles te snel gaat. Eerder deze week constateerde Knapen in deze krant: „De klassieke hulparchitectuur heeft z’n langste tijd gehad.” Nee meneer Knapen, zo is het niet. Met – toegegeven – de kennis van nu kunnen we gerust stellen dat die klassieke hulparchitectuur al tien, vijftien jaar geleden had afgedaan. In Oost-Congo is aan het onverharde jungletraject van Walikale naar Kisangani opeens een stad verrezen. Het is een redelijk welvarende stad. Op zo’n dertig kilometer afstand ligt, diep in het oerwoud, een toverberg vol coltan. Het zeldzame erts wordt handmatig in griezelige kruipgangen gedolven. De stad is verrezen op een punt waar dat jungletraject een paar honderd meter recht loopt, een stuk dat net lang genoeg is voor de kleine vrachtvliegtuigen die vanaf Goma af en aan vliegen om het spul op te halen. Maar in Kinshasa hebben de nationale cartografen die stad nog niet ‘ontdekt’. Ze staat letterlijk nog niet op de kaart. Ook de lokale overheid kan het soms dus niet meer bijbenen.

Op de opiniepagina van het dagblad Trouw van 26 november stond een ingezonden stuk van VVD-fractievoorzitter Stef Blok, die, kort gezegd, boos is op links. Vooral de volgende passage trok mijn aandacht: „Zestig jaar ontwikkelingssamenwerking heeft helaas geleerd dat de landen die veel Nederlands belastinggeld ontvingen er eigenlijk niets op vooruit zijn gegaan (Suriname!), terwijl tegelijkertijd in een groot deel van Azië en Zuid-Amerika honderden miljoenen aan de armoede ontsnapten, omdat de regeringen kozen voor de vrije markt”. En Afrika? Waarom noemde hij dat continent niet? Voelde hij zich op dat punt ongemakkelijk? Welnu, in dat geval kan ik Blok blij maken. Vooruit, in Afrika gaat het niet om „honderden miljoenen”, maar al wel om tientallen miljoenen mensen. Je kunt ook niet echt stellen dat veel Afrikaanse regeringen heel bewust en enthousiast voor de vrije markt kozen. Het is meer iets wat die regeringen is overkomen, vooral gedicteerd door een steeds ondernemender, ongeduldiger bevolking. Maar de uitkomst – kijk maar naar die enthousiasmerende groeicijfers – is vrijwel hetzelfde. Tegelijkertijd is het feit dat de meerderheid in Afrika nog steeds niet aan de armoede is ontsnapt, erg ontnuchterend. Het betekent dat ontwikkelingshulp in die zestig jaar van Blok op dat vlak geen effectief geneesmiddel is gebleken. Het zwarte continent beseft dat de blanke dokter zelf nu nogal ziek is.

Vlak bij mijn Sabena-gebouw bevindt zich Chez Aisha, de drukste kapsalon van Bujumbura. Chez Aisha specialiseert zich in allerlei prachtige, maar complexe kapsels. Die nemen soms wel een halve dag in beslag. Dat betreft dan vooral dure, uit Congo overgewaaide nieuwigheden als de ‘Zig-zag’ en de ‘Michelle’ en de ‘Ç’est le Moment’ en het bij oudere mevrouwen geliefde ‘Les Années’. Aan de muur hangt er, zoals op een aandelenbeurs, een rij klokken. Ze geven de tijd aan in Kinshasa, in Bujumbura, in Nairobi, in Dubai, in Bangkok en in Shanghai. Eerst dacht ik dat het om een grapje ging van de decorateur. Maar, verdomd, die klokken hebben ook echt een functie. Want sommige van die mevrouwen zitten, terwijl ze gekapt worden, de hele tijd internationaal te bellen. De business gaat immers door. Dat containertje zogenaamde Louis Vuitton handtassen op de kade in Shanghai moet echt ruim voor de Kerst via Bukavu in Kinshasa zijn. Aan de muur hangt geen klok voor Brussel, de voormalig koloniale bestuurder. En evenmin voor Den Haag, ondanks het feit dat ons land en Burundi al jaren ‘partner’ zijn. Als je tegen zo’n mevrouw zou zeggen dat je je heel erg bezighoudt met doorsnijdende thema’s, zou ze vrijwel zeker zeggen: „Weg jij! Loop me niet voor de voeten!”

Robbert van Lanschot was diplomaat. Thans is hij journalist. Zijn laatste boek is Café Mogadishu, over de islam in Nederland.

    • Robbert van Lanschot