James Kennedy: Obama zou die oproep van Van Bijsterveldt wel waarderen

De oproep van minister van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) aan ouders om meer bij het onderwijs betrokken te zijn, zou in de Verenigde Staten absoluut geen ophef hebben veroorzaakt. Daar is dit al decennialang de boodschap.

President Obama wees erop dat onderwijsvernieuwingen geen enkel effect zouden hebben als ouders en vrijwilligers de kinderen niet zouden stimuleren tot hoge prestaties. De Amerikaanse minster Duncan (Onderwijs) zei ongeveer hetzelfde, in zijn rede voor het eerste ‘Mom Congress’ – jawel, alleen moeders – in 2010.

De toehoorders konden zijn uitspraken wel waarderen. De 51 moeders in zijn publiek waren speciaal uitgenodigd voor een all-expenses paid-reisje naar Washington. Zij hadden door hun inzet de school van hun kinderen verbeterd.

Volgens Duncan zijn Amerikanen ervan overtuigd dat ouderbetrokkenheid bij het onderwijs essentieel is voor het succes van hun kinderen. Bovendien is het goed voor de economie als de leerprestaties van kinderen omhoog gaan.

In Nederland stuitte de morele oproep van minister Van Bijsterveldt op enige weerstand. In een weblog van Mama Magazine werd geschreven dat ouders niet de kwaliteiten hebben die je mag verwachten van goed onderwijs: „Laten we het beste voor onze kinderen eisen. Professioneel onderwijs, en wel daar waar het hoort: op school.”

Dat deze morele oproep aan ouders in de Verenigde Staten niet op weerstand stuit, komt misschien ook doordat de overheid daar niet tegelijkertijd moeders moreel oproept om meer betaalde arbeid te verrichten. Zo kun je het als moeder – of ouder – nooit goed doen in Nederland.

Hoewel de Amerikaanse idealen breed worden gedeeld in de samenleving, bestaan er toch twee werkelijkheden.

De eerste is die van zeer actieve ouders die zich laten leiden door het hoge ideaal, die doelgericht en standvastig werken aan de verbetering van het onderwijs voor hun eigen kinderen, maar ook voor het hele schooldistrict. Onder het gehoor van Duncan zaten bijvoorbeeld ouders die een curriculum hadden ontworpen voor de kleuters , die jongens aan het lezen hadden gekregen door te werken met voorleesvaders, die junkfood uit de schoolkantine hadden verwijderd en die zomerprogramma’s hadden ontworpen met een cultureel aanbod voor kinderen. Die ruimte krijgen ze, in het gedecentraliseerde Amerika. In het schoolbestuur zwaaien ouders de scepter. Zij eisen veranderingen van de schooldirectie als de kwaliteit van het onderwijs ondermaats is. Andere ouders zijn zo betrokken bij het onderwijs aan hun kinderen dat ze besluiten hun kinderen uit school te halen en zelf thuis onderwijs te geven. De Verenigde Staten bieden die mogelijkheden.

Aan de andere kant heb je ouders die zo hard moeten werken om rond te komen dat ze de tijd of energie niet hebben om zich actief te bemoeien met het onderwijs aan hun kinderen. Wel beseffen ze dat ze te weinig tijd besteden aan hun kinderen. Een heel genre Hollywoodfilms illustreert dit gevoel van ongemak. Deze ouders zijn te druk met andere zaken, vooral met hun werk, maar ook hun kinderen zijn te druk met andere dingen – met hun baantje, met buitenschoolse activiteiten of met sociale media en televisie. Amerikaanse kinderen besteden gemiddeld bijna twaalf uur per dag aan (sociale) media. Hiervan gaat zes uur op aan de televisie. Vandaar de niet-aflatende oproep aan ouders om meer tijd te besteden aan hun kinderen en toch minstens één keer per week gezamenlijk de avondmaaltijd te nuttigen.

Amerikanen zouden zich moeten afvragen of de socio-economische verhoudingen in hun land de hoge idealen voor opvoeding en ouderbetrokkenheid op school onmogelijk hebben gemaakt, maar ondanks de moeite om eraan te voldoen, blijven die idealen een gedeelde norm in de Verenigde Staten. Dat dit ideaal wordt hooggehouden en telkens opnieuw leidt tot discussie over de wijze waarop hieraan kan worden vormgegeven, zou met instemming moeten worden begroet – ook in Nederland.

James Kennedy is is hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werd geboren in Orange City, Iowa.