Ja, als er een schoolreisje is, dan willen álle ouders wel

Ouders, ga meer helpen op school. Dat zei minister Van Bijsterveldt. Maar het gebeurt al, zegt de directeur van de Amsterdamse basisschool De Notenkraker. Door ouders die het zelf al druk hebben. „Niet de ouders die thuis zitten.”

Nederland, Amsterdam, 02-12-2011. Betrokken ouders bij basisschool de Notenkrakers in Amsterdam (Theophile de Bockstraat 100) tijdens de Sinterklaasviering op de school. Foto: Olivier Middendorp

Grote broer heeft zijn kleine zusje een duw gegeven en nu ligt ze op straat, huilend. Hun moeder, frêle in haar lange zwarte jas en haar zwarte hoofddoek, pakt hem bij zijn arm en schudt hem door elkaar. „Wat doe jij?”

„Ik… ik…”, zegt de jongen, die eigenlijk ook nog maar klein is. Zes, hooguit.

„Wat nou ik, ik.” De moeder zakt door haar knieën en pakt hem bij zijn kin. Hij begint ook te huilen. „Zij begon, mama. Zij duwde mij eerst.”

„Nietes”, roept zijn zusje.

„Welles”, roept haar broer.

„Afgelopen”, zegt hun moeder. Ze pakt haar dochter onder de oksels en zet haar in het stuurzitje van haar fiets. Haar zoon klimt op de bagagedrager. Het is twaalf uur, donderdagmiddag. Het regent. Goed moment om over de minister van Onderwijs te beginnen, wat ze over de inzet van ouders voor hun kinderen heeft gezegd, en hoe deze moeder daarover denkt.

„Ik ben Marokkaans hè”, zegt de moeder. „Jij denkt zeker dat ik nooit wat doe op school. Maar weet je wat ik doe?” Ze trapt de standaard van haar fiets omhoog en perst zich tussen haar kinderen door op het zadel. „Ik haal mijn kinderen iedere middag op om thuis met ze te eten. Want dan hebben ze even rust, begrijp je. Dat is goed voor kinderen. Want de overblijfmoeders hier…” Ze rolt met haar ogen. „Dat zijn dus bijna allemaal Marokkaanse vrouwen, maar niet mijn soort. Ze schreeuwen me te veel. En nou ga ik, want over een uur moeten we weer terug zijn.”

Amsterdam, bij de Ring naar de Coentunnel, tussen Zuid en West. De school heet De Notenkraker en het gebouw is nieuw en licht en mooi. Er zit ook een kinderdagverblijf in, een naschoolse opvang, en nog een andere school, oecumenisch. De Notenkraker is openbaar en was ooit honderd procent zwart. Maar de witte ouders zijn teruggekomen en nu, na de nieuwbouw, is De Notenkraker volmaakt gemengd. Zestien groepen van dertig leerlingen. Veel aandacht voor muziek en toneel en dans en beeldende kunst.

In haar kamer bij de ingang zit Antoinette van Zalinge, 55 jaar en sinds vier jaar directeur hier. Ze is danseres geweest, en dansdocent, en directeur van een dansschool. Leuk, maar ze werd moedeloos van het gevecht om subsidie. Terwijl ze dit vertelt, komt een moeder binnen. Skinny spijkerbroek, kort jurkje. Ze pakt een paar van de dozen die in de hoek staan. Er zitten bekertjes in, pakken sap, pepernoten. Antoinette van Zalinge springt op en helpt haar. Sinterklaas wordt dit jaar op 2 december gevierd, vóór het weekend.

„Hoepla”, zegt de moeder.

„Hop”, zegt Antoinette van Zalinge. „Ziezo.”

Daarna: „Heel belangrijk wat de minister heeft gezegd, heel terecht ook, maar er zitten zoveel kanten aan…” Om te beginnen: er zijn maar weinig ouders die níét betrokken zijn bij hun kinderen en níét hun best doen. Alleen: dat is wat anders dan zich voor de school inzetten. Antoinette van Zalinge pakt de jaarkalender, waarin per maand vermeld staat op welke dagen er ouderhulp nodig is. Alle ouders krijgen die en toevallig heeft de school net bedacht dat het wel zo eerlijk zou zijn om iedereen aan het begin van het schooljaar verplicht te laten intekenen: 1x Voorbereiden Herfst, 1x Pietenmiddag, 1x Schoolreisje. Zoiets.

Want?

„Nu zijn het altijd dezelfde ouders die zich inzetten.”

Welke?

„De drukke ouders. Niet de ouders die thuis zitten. En ook niet de ouders die heel goed zien wat er niet goed gaat op school en daar graag wat van zeggen.”

Antoinette van Zalinge zegt het met veel denkpauzes ertussen. Dan doet ze de ouders die niet willen helpen na. Moet ik dat regelen? Daar ben jij toch voor? Ik moet naar mijn werk. Niet dat ze daar geen begrip voor heeft. Maar die toon.

Je kent elkaar, je kunt ze aanspreken als er wat met hun kind is zonder dat het meteen een hele toestand wordt. Dat is volgens Antoinette van Zalinge het nut van betrokken ouders. En met dertig kleuters naar Artis, dan móéten er zeven ouders mee, naast twee juffen of meesters. Anders mag het niet van de wet.

En schoonmaken? Vindt ze het normaal dat ouders moeten helpen met schoonmaken van klaslokalen en leermiddelen?

„Nee, dat vind ik belachelijk. Maar ik vind het ook belachelijk dat de leerkrachten het moeten doen. En dat moeten ze wel, want we krijgen te weinig geld voor professionele schoonmakers.” Ze wijst naar haar bureau, de vloer. „Ik hou het hier ook zelf schoon.”

Prinses Ireneschool, Hoorn, juffrouw Groos. Háár eerste dag op de lagere school, in 1962, herinnert Antoinette van Zalinge zich maar al te goed. Ze was klein, mager en bang, en er waren nog zevenenveertig andere kinderen. Haar moeder bracht haar tot het hek. Dahag! Dahag! Daarna kwam ze alleen nog op school voor rapportgesprekken. Maar laten we het niet romantiseren, zegt ze. Er waren veel ongelukkige vrouwen en veel ongelukkige kinderen. Haar moeder was niet ongelukkig. Ze hielp mee in de zaak van haar man. Im- en export van aardappelen.

De zoon van Antoinette van Zalinge staat voor de deur. Of hij een paraplu mag lenen. Hij is 18 en net van de havo af. Hij speelt op De Notenkraker voor Zwarte Piet. Zo vreemd, zegt Antoinette van Zalinge, dat al die thuiszittende moeders vroeger nooit om hulp werd gevraagd, en dat de tweeverdienende moeders nu wel van alles moeten. De vaders ook, natuurlijk. Maar meestal zijn het de moeders die het doen. Zelf hielp ze op de school van haar kinderen mee met de jaarlijkse musical. Dat lag met haar beroep voor de hand. Ze herinnert zich ook dat ze met Sinterklaas zakjes snoep inpakte.

Ze denkt dat de minister nu dit beroep op de ouders doet omdat er zoveel probleemkinderen zijn. En omdat die zoveel geld kosten. En ja, zij ziet die kinderen ook bij haar op school. „Even kijken… Misschien zijn het er wel… tachtig waar ik me zorgen om maak.” Vaak kinderen van gescheiden ouders. Vechtscheidingen, daar ziet ze de grootste ellende van. Ook zo erg: ouders die de leerkracht afkraken waar hun kind bij staat. On-be-grij-pe-lijk. Daar heeft de minister gelijk in: ouders moeten de normen en waarden van de school delen.

Bibi Damen komt binnen, een van de juffen. Ze heeft kunstgeschiedenis gestudeerd, maar kon na haar studie geen werk vinden. Antoinette van Zalinge vraagt haar om hoeveel kinderen zij zich zorgen maakt. Net als ze dat wil gaan vertellen, staan er drie jongetjes voor de deur. Jarig. Chocolaatje. Plaatje. Ze worden geknuffeld. En als ze daarna wil doorpraten, wordt er op de gang geroepen.

„Bibi! Bibi!”

Kind met een gat in zijn hoofd.

Antoinette van Zalinge zucht en lacht. Zo gaat het dus de hele dag, altijd.

Een vader in een stoer rood jack, een moeder met kort geblondeerd haar, de moeder in de skinny spijkerbroek en het korte jurkje. Ze zijn net klaar met het versieren van de hal beneden, voor het sinterklaasfeest, en nu zitten ze te wachten tot het drie uur is en de school uitgaat.

Office manager bij een toneelgezelschap. Teamleider bij de KLM. Adviseur. Ze zeggen dat het altijd dezelfde ouders zijn op school alles doen. En dat het er in elke klas altijd maar één of twee zijn. Maar als er een schoolreisje is, ja, dán willen opeens alle ouders wel mee. Mooi niet dus. Die ouders worden onderaan de lijst gezet.

Heel goed van de minister dat ze heeft gezegd dat ouders meer betrokkenheid moeten tonen. Ze willen toch allemaal een leuke school voor hun kind? Nou dan.

Buiten in de regen wacht een hoogblonde oma haar kleinzoon op. Ze heeft een korte bontjas aan en laarzen tot over de knie. Altijd in de horeca gezeten. Ja, zij vindt in principe ook dat ouders moeten meehelpen op school, maar het punt is, wanneer? „Mijn kinderen moeten allebei keihard werken om het hoofd boven water te houden.” Daarom staat zij hier alle dagen.

En dan nog wat. „Mijn dochter komt er nooit tussen als ze een keer mee op schoolreisje wil. Het zijn altijd dezelfde ouders die mee mogen.”

Haar kleinzoon komt aangerend, samen met een vriendje. „Oma, mag ik bij Raphael spelen?”

„Geen sprake van. Raphael mag bij ons, maar jij gaat niet bij hem.”

„Please, oma, please.” Haar kleinzoon houdt zijn handen gevouwen omhoog en schudt ze.

„Ik zeg toch nee? Je moeder wil het niet hebben en ik heb er al een keer ruzie met haar over gehad. Kom mee.”

„Ik ga niet mee.”

„Wat zeg je?”

„Ik ga niet mee.”

„Zeik niet. Je gaat nu mee. Discussie gesloten.”

De kleinzoon buigt zijn hoofd en loopt achter zijn oma aan naar de auto.