'Ik heb mooie genen'

Tweede Kamerlid Khadija Arib maakt, bij een bruin broodje oude kaas, een slapende kameel wakker: de lesbische liefde tussen Arabische vrouwen.

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, Lux, Khadija Arib, Den haag, 30/11/2011

Perzische kleedjes op tafel, een flesje halfvolle koffiemelk, een reepje ontbijtkoek bij de koffie. Zo Hollands vind je de cafés bijna nergens meer. Khadija Arib (51), PvdA-kamerlid en schrijfster, koos Café Hegeraad niet om de lekkere lunch, maar om het „gemeenschapsgevoel” dat ze daar altijd vindt. Het café zit op de hoek van de Noordermarkt in Amsterdam, de buurt waar ze woonde toen haar drie kinderen klein waren en ze nog getrouwd was. Nu woont ze in de Baarsjes, in Amsterdam-West.

Elke maandagochtend staan er rond de Noorderkerk kramen met tweedehands kleren en spullen. Bij Hegeraad drinken dikke en dunne vrouwen koffie, oude en jonge, met rood geverfde en blond gebleekte haren. Er zitten studentes en echtparen, marktkoopmannen en bejaarden. Khadija Arib draagt een spijkerbroek, een zwart, fluwelen jasje, een T-shirt met decolleté. Ze is op de fiets gekomen, schudt handen met de uitbater van Hegeraad, ze drinkt koffie verkeerd en eet een bruin broodje kaas. Oude kaas. Ze zou hier helemaal niet op hoeven te vallen, maar ze doet het toch. Waarom? Het antwoord zit in wat ze straks zal zeggen op mijn vraag of ze het vervelend vindt om ouder te worden. Ze zegt: „Ik ben de dochter van een analfabete naaister en een gastarbeider. Ik ben geen zondagskind, geen grachtengordelvrouw. Ik zal geen geld, geen huis of titel erven. Maar ik erfde wel mooie genen.” Haar haren diepzwart, zonder ook maar één grijze ertussen. Haar huid mediterraan getint en jeugdig glad. „Alles van mijn ouders gekregen.” Ze bedekt haar lach met haar hand.

Over haar ouders en hun ouders gaat haar eerste boek Couscous op zondag, uit 2009. Het speelt zich afwisselend af in haar geboortedorp Hedami in Marokko en de steden waar ze later opgroeide: Casablanca en Rotterdam. Ze schrijft over haar vader, die van goede komaf was, maar zijn fortuin verspilde en verdronk en daarom in de jaren zeventig naar Nederland vertrok om geld te verdienen in een wasserette in Rotterdam. Hoe hij hier aanvankelijk als dandy leefde, met vrienden die Mo en Ben genoemd werden en die in de smaak vielen bij de Hollandse blondines. Dezelfde mannen die zich na de hereniging met hun gezin ontpopten als huistirannen die hun vrouw en dochter controleerden. Die tegenwoordig baarden laten groeien, gewaden dragen en geen moskeebezoek meer missen. De vader van Khadija Arib overleed al in 1980, zij was negentien en net vier jaar in Nederland. Haar moeder is nog geen zeventig („ze berekent haar leeftijd door de mijne te nemen en dan plus ongeveer 18”) en woont nog altijd in Rotterdam-Noord.

Slapende kamelen

Khadija Arib schreef over de vrolijke en de verdrietige familiezaken, en ook over de „kamelen die ze beter kon laten slapen”. De recensenten waren enthousiast. „Een Kamerlid dat echt kan schrijven.” Nu is net Allah heeft ons zo gemaakt verschenen, haar tweede boek. En daarin maakt ze de kameel wakker die al eeuwen heel diep slaapt; de lesbische liefde tussen moslima’s. De liefde die zo ondenkbaar is, dat er in het Arabisch geen woord voor is. Zamel is het woord dat voor homo’s wordt gebruikt, maar dat is alleen voor mannen en bovendien bedoeld als scheldwoord.

Tot haar zeventiende wist Khadija Arib niet van het bestaan van lesbiennes. „Op school en op straat hoorde je wel dat er mannen waren die het met mannen deden. En dat dat vies was.” Ze reageerde dus vol afschuw, toen ze op het Centraal Station in Rotterdam twee vrouwen in het openbaar zag zoenen. En ze begreep niet waarom de andere reizigers, inclusief haar eigen oma, er geen aanstoot aan namen. „Waarschijnlijk waren ze veel verbaasder over mijn oma die daar in haar witte djellaba liep.” Haar oma verklaarde de vrouwen niet voor gek. „Zij had het in Marokko eerder gezien.” En zij was het die zei: „Allah heeft ze zo gemaakt.” Oftewel: God maakt niet iets wat slecht of verkeerd is. Dat is dezelfde oma die met vijf kleine kinderen, en hoogzwanger van de zesde, haar man verliet. Niet omdat hij slecht was of haar sloeg, maar omdat ze niet van hem hield.

Dat beeld van twee vrouwelijke profielen die zijn verbonden door een kus, zag ze weer op een tentoonstelling die ze opende. De kunstenares (Yasmin in het boek) vroeg haar een boek te maken over het onzegbare. Khadija Arib interviewde vier lesbische vrouwen, die van oorsprong uit Marokko, Irak en Egypte komen. Ze ontdekte dat vrouwen altijd al met vrouwen verkeerden, ook vrouwen die ze kende maar van wie ze het niet wist. „Rijke Arabische dames hebben een appartement in de stad om hun minnares te ontmoeten.” Het kan wel, zolang het maar niet benoemd wordt. Islamitische vrouwen doen het zoals het in de koranuitleg staat: verborgen achter Gods gordijn. „Vrouwen horen niet met elkaar te rommelen. Maar als ze het doen, is dat minder bedreigend dan seks met of tussen mannen. Het maagdenvlies blijft intact, zo wordt gedacht. Niemand die er iets van hoeft te merken.”

In het Arabisch is er nu wel een woord voor gender, zegt Khadija Arib. Dat is: nawe of djens. Nu die woorden bestaan, kan het onzegbare gezegd worden: liefde voor iemand van hetzelfde geslacht. „Er is ook wel een Marokkaans woord, dat zoiets als lesbisch betekent. Maar dat is heel plat, het slaat meer op de seksuele handeling” Ze haakt haar handen tussen duim en wijsvinger in elkaar, om uit te beelden hoe vrouwen hun benen verstrengelen. In het Nederlands heet dat ‘scharen’. „Het Arabische woord voor zelfde, mithlya , wordt nu gebruikt als het over lesbiennes gaat.”

Nee, lacht ze en neemt voorzichtig een hap van haar pistolet met brokkelkaas en ijsbergsla. Zij is niet lesbisch. „Alle vrouwen die ik interviewde zeiden: ‘je ziet zo dat jij hetero bent.’” Waar ’m dat in zit, weet ze niet. „Blijkbaar zijn er codes, waardoor vrouwen het van elkaar weten. Ze kennen elkaar, houden contact via Facebook en speciale websites.” Zij ziet het niet. „Iedereen is ervan overtuigd dat Nabila Abeid lesbisch is.” Zij is een bekende Egyptische actrice, die haar debuut maakte als tegenspeelster van Omar Sharif. Inmiddels is ze ver in de 60. „Gehoopt wordt dat zij er op een dag openlijk voor uit gaat komen.”

De Arabische lente is uit Tunesië, Egypte, Libië overgewaaid naar Marokko. Maar of meer democratie nou ook meer individuele vrijheid zal geven, dat moet ze nog zien. Zeker als het om vrouwelijke vrijheden gaat. „In Egypte zag je op het Tahirplein ook vrouwen. Maar in de overgangscommissie die daarna werd opgericht? Alleen maar mannen.” Of neem Tunesië, het land waar Marokkaanse vrouwen altijd jaloers op waren. „Daar mocht je wel scheiden, kreeg je wel alimentatie. Het is het enige islamitische land waar de rechten van man en vrouw formeel gelijk zijn. Maar nu? Aparte rijen voor mannen en vrouwen bij de stembureaus.”

Zondag is ze teruggekomen uit Marokko. Voor de PvdA is ze lid van de Raad van Europa en zij was waarnemer bij de verkiezingen daar. De islamitische partij PDJ is met 28 procent van de stemmen de winnaar. „Marokko is nooit een echte islamitische samenleving geweest, zoals Iran of Afghanistan.” Als de vrouwen in haar familie al een hoofddoek droegen, dan deden ze dat zoals Catherine Deneuve, of Marlene Dietrich. Khadija Arib mocht naar school, haar moeder werkte, als naaister. Haar oma werkte ook. Ze besloot vroedvrouw te worden nadat ze haar zesde kind verloor tijdens de bevalling thuis in Marokko, alleen geholpen door haar kinderen.

Genotshuwelijk

„Zaterdagavond ging ik met vrienden uit eten in Rabat. ‘Dit is een van de laatste avonden dat u wijn kunt bestellen’, zei de eigenaar van het restaurant. ‘Straks mogen we alleen nog muntthee serveren.’” Ze lacht. „Nu maken we nog grappen. ‘Mooi’, zeiden de vrouwen, ‘en dan nemen wij straks een genotshuwelijk.’” Een genotshuwelijk – mut’a in het Arabisch – is een islamitisch huwelijk. Zonder formaliteiten of getuigen, spreken een man en een vrouw met god af dat ze voor een tijdje getrouwd zullen zijn. Dat kan tien jaar zijn. Of een uur. In Marokko zijn dit soort huwelijken verboden.

Haar telefoon rinkelt. Ze vist de iPhone uit haar tas. Een Amsterdams gemeenteraadslid dat haar advies wil, zegt ze als ze weer heeft opgehangen. Nee geen PvdA, GroenLinks. Het gaat over mannen die van hun vrouw afwillen en haar zonder geld of papieren terugbrengen en achterlaten in hun land van herkomst. Moeiteloos schakelt ze over op politiek jargon. Ze wil de „kwestie over de partijen heen aanpakken”. „Samen optrekken” en „een vuist maken”.

De politica in haar is nu wakker. Ze vertelt dat haar telefoon in Marokko nauwelijks bereik had. „Kom ik ’s avonds op mijn hotelkamer, bekaf, hoor ik ‘pling’ een berichtje binnenkomen.” Ze pakt haar iPhone weer en laat de sms van Frank Heemskerk zien, voormalig staatssecretaris van Economische Zaken en partijgenoot. Hij bericht haar dat de kranten volstaan over de succesvolle aanpak van babysterfte in Nederland, en dat zij toch maar mooi de eerste was die daar vragen over stelde. „Klopt”, zegt ze. „Een van mijn eerste vragen aan de minister, in december 1998.” Ze heeft altijd gevochten, zegt ze, voor de belangen van vrouwen en kinderen. „Toen ik klein was, was er geen vrouw in mijn omgeving die geen kind had verloren.” Trots vertelt ze over haar dochter Sabra. Ze is 29 en aan het promoveren in de gynaecologie.

Zij had wel twaalf kinderen gewild. Al was het maar omdat ze het zelf zo erg vond om enig kind te zijn. In Marokko had ze buren, vriendinnen, klasgenoten. Maar toen ze op haar vijftiende naar Rotterdam verhuisde, kende ze niemand. Ze liet haar koffer onuitgepakt, zegt ze, zo ellendig voelde ze zich. Maar toen ze eenmaal gewend was, pakte ze hem weer in en ging naar Amsterdam. Alleen. „Er was geen ruzie, maar ik werd gek van twee ouders die alleen mij hadden om zich mee te bemoeien. Voor hen moet het heel zwaar zijn geweest dat ik wegging. Als ik bedenk hoe moeilijk ik het vond toen mijn eigen kinderen uit huis gingen.” Ze werkte, ze trouwde, kreeg in twee jaar drie kinderen (haar zonen Ghassan en Wadie zijn een tweeling). „Ik durfde tegen mijn collega’s niet te zeggen dat ik ook nog studeerde.”

Ze is gewend hard te werken. Ze heeft geen vrij genomen om haar boek te schrijven, dat doet ze tussen de bedrijven door. Ze noemt het het voordeel van haar Marokkaanse jeugd. „Daar hebben kinderen meestal geen eigen kamer. Huiswerk doe je in de woonkamer. Je leert te werken met de televisie aan en het eten op tafel.” Schrijven kan ze daardoor overal. „In het vliegtuig, in het café, in bed.” Altijd in het Nederlands. „Het Arabisch heeft veel woorden om emoties te uiten. Ik lees graag Arabische poëzie en romans. Maar als ik schrijf, gebruik ik het alleen voor korte, zakelijke notities. Ik heb geleerd mijn gevoelens te uiten in het Nederlands.”

    • Rinskje Koelewijn