De lotgevallen van het 'licht voor de Sabbat'

Geschiedenis De roof van joodse kunst en huizen is breed onderzocht – die van religieuze objecten veel minder. In een bundel staan nu de verhalen van deze vergeten voorwerpen.

Saphor Torahs 111-SC-209154 U.S. National Archives

Voorwerpen hebben ook hun levensverhalen. En dat geldt helemaal voor joodse ceremoniële voorwerpen die tijdens de Tweede Wereldoorlog uit een synagoge, een joods historisch museum of een privécollectie zijn geroofd. En die na de oorlog op de meest uitleenlopende manier weer zijn opgedoken.

Zo is er het verhaal van de twee identieke glazen wandlampen, die in de negentiende eeuw de nette kamer van een Oost-Europese familie sierden. Ze zijn versierd met papier, waarop in het Hebreeuws ‘licht voor de Sabbat’ staat geschreven. In 1895 zijn ze in het bezit gekomen van het Weens Joods Museum, het eerste joods historisch museum te wereld. Vanaf 1913 waren de lampen te zien in het museumgebouw in de Malzgasse. Hier kregen ze een plaats in de Gute Stube, de Sabbatkamer, die kunstenaar Isidor Kaufmann voor het museum inrichtte. Van de wandlampen en de rest van de kamer werden een foto en ansichtkaarten gemaakt.

Na de Anschluß moest het museum op last van de nazi’s sluiten. De lampen hoorden bij de voorwerpen die naar het Etnologisch Museum werden vervoerd. Op basis van een inventarislijst van de Gestapo en oude foto’s konden de lampen na de oorlog worden geïdentificeerd en verhuisden ze weer terug naar het Weens Joods Museum.

Naar dit soort verhalen zoekt Julie-Marthe Cohen, onderzoekster en conservator van het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Het zijn stille getuigen, waarvoor tot nu toe bijna geen aandacht is geweest, zegt Cohen. “Als het om roof van joods bezit gaat, is alle aandacht tot nu toe naar vastgoed, geld, kunst, boeken en archieven gegaan.”

In de internationale wetenschappelijke bundel Neglected Witnesses – The Fate of Jewish Ceremonial Objects During the Second World War and After, die Cohen met de Oostenrijkse onderzoekster Felicitas Heimann-Jelinek heeft samengesteld, krijgen die ceremoniële voorwerpen voor het eerst wél ruim aandacht. Het gaat bijvoorbeeld om geborduurde Toramantels, die als bescherming en versiering van de Torarollen dienen, de jads, waarmee de regels in de Tora worden aangewezen en de parochets, de gordijnen die de kast met de Tora afschermen,

Blik wormen

De artikelen in de bundel beschrijven het proces van roof, herontdekking, verdeling en teruggave. Ook gaan ze in op het complexe web van belangen en relaties tussen de betrokken partijen. “Op deze manier krijgen de voorwerpen en dus het materiële erfgoed van het Europese jodendom weer een context”, zegt Cohen.

In het boek komen de geroofde judaïca in maar acht landen aan bod: Nederland, Duitsland, Italië, Oostenrijk, Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije. “Op de website van de Claims Conference, de organisatie die zich sinds 1950 bezighoudt met de restitutie van joods bezit, worden 69 landen genoemd waar judaïca zijn geroofd of later zijn terechtgekomen. In 45 van die landen wordt helemaal niets aan onderzoek gedaan. In de meeste andere landen niet veel.”

Cohen noemt België en Frankrijk als voorbeelden. “Pas in 2001 is er in België een officieel onderzoek geweest, maar daarbij waren geen experts betrokken die joodse ceremoniële voorwerpen kunnen herkennen. Nu komt er met steun van het Belgisch Joods Museum wel zo’n onderzoek. In Frankrijk is nog nooit systematisch onderzoek gedaan, omdat de meeste synagogen intact gelaten zouden zijn. Maar het is bekend dat in de Elzas, Lotharingen en Moselle synagogen zijn geplunderd en ook in Parijs is joods cultureel en religieus bezit geroofd.”

Opvallend: de voormalige directeur van het Joods Museum van Griekenland heeft het niet aangedurfd om een artikel over de wederwaardigheden van de ceremoniële voorwerpen in zijn land te schrijven. “Hij liet weten dat hij anders een blik wormen zou opentrekken, omdat hij namen zou moeten noemen van mensen die in Griekenland nog steeds een rol van betekenis spelen.”

In grote lijnen zijn de geschiedenissen van de ceremoniële voorwerpen uit de verschillende landen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog hetzelfde. Eind negentiende eeuw, toen er bij de joden sprake was van secularisering, kregen tot dan toe strikt ceremoniële en religieuze voorwerpen ook een cultuur- en kunsthistorische betekenis. Ze werden het onderwerp van onderzoek door joodse intellectuelen, die door de toenemende secularisering bang waren voor verlies van de joodse materiële cultuur.

Die intellectuelen begonnen zich te verenigen en verzamelingen met alledaagse en ceremoniële voorwerpen aan te leggen. De verenigingen en verzamelingen vormden de basis voor de oprichting van meerdere joodse historische musea in Europa in de jaren twintig en dertig. Zo werd in 1930 in Amsterdam het Joods Historisch Museum opgericht.

Het in de Waag gevestigde museum telde tien jaar later ongeveer 940 voorwerpen. Ongeveer een derde van de collectie bestond uit bruiklenen, die in het begin van de bezettingsjaren aan zoveel mogelijk eigenaren werden teruggegeven. De rest, in totaal 610 objecten, werd eerst in het Stedelijk Museum en later in een bunker in Castricum opgeslagen. In 1943 confisqueerden de Duitsers de hele collectie en stuurden die verpakt in kisten naar het Institut zur Erforschung der Judenfrage in Frankfurt. Hier kwamen ook veel van de geroofde judaïca uit andere landen terecht.

De collectie van het Joods Museum in Praag is echter niet geroofd. Om de een of andere reden stonden de Duitsers toe dat het museum en de collectie bleven bestaan. Enkele onderzoekers hebben na de oorlog gemeend dat de Duitsers een museum van een ‘uitgestorven ras’ wilden oprichten. Magda Veselská van het Joods Museum in Praag schrijft in Neglected Witnesses dat ze nergens bronnen heeft kunnen vinden die dat idee bevestigen. Volgens haar ging het om een privé-initiatief van in Praag gelegerde Nazi’s.

De her en der in Europa geroofde judaïca in Frankfurt werden vanwege de geallieerde bombardementen op een gegeven ogenblik verhuisd naar het zestig kilometer noordelijker gelegen Hungen.

In deze plaats troffen in 1945 Amerikaanse troepen delen van de Amsterdamse collectie aan, samen met joodse collecties uit onder meer Thessaloniki, Lodz, Minsk en Noorwegen. Zij brachten alles naar Offenbach, waar het verzamelpunt was van het US Army Department of Monuments, Fine Arts and Archives. Op een gegeven moment lagen hier meer dan 3 miljoen joodse culturele voorwerpen opgeslagen om naar hun oorspronkelijke eigenaren te worden teruggebracht of, als er geen eigenaren of erfgenamen meer waren, te worden verdeeld over joodse gemeenschappen.

De teruggevonden voorwerpen van het Joods Historisch Museum gingen in drie transporten terug naar Amsterdam, waar ze tot de heropening van het Joods Historisch Museum in 1955 werden opgeslagen bij de joodse antiquair Lion Morpurgo, ook de eerste naoorlogse conservator van het museum.

Voor de verdeling van de voorwerpen zonder erfgenamen zorgde vanaf 1947 de Amerikaanse organisatie Jewish Cultural Reconstruction (JCR), waarbij onder meer filosofe Hannah Arendt werkte. Bij JCR gingen ze ervan uit dat reconstructie van het culturele joodse leven in Europa niet meer mogelijk was. Vandaar dat ze zochten naar versterking en uitbreiding van in hun ogen levenskrachtige joodse gemeenschappen erbuiten. In de praktijk kwam het er op neer dat in de vijf jaar die JCR heeft bestaan 85 procent van alle te verdelen boeken, Torarollen en andere rituele voorwerpen in Israël en de Verenigde Staten terechtkwamen.

“Het kan niet anders of bij al deze teruggave- en verdelingsoperaties zijn dingen misgegaan”, zegt Cohen. Objecten zijn verloren geraakt of op een andere dan hun oorspronkelijke plek terechtgekomen. Neem alleen de collectie van het Joods Historisch Museum: “Van de 610 door de Duitsers geroofde voorwerpen is maar ongeveer eenderde in het museum teruggekeerd.”

Maar er zijn volgens Cohen wereldwijd nog veel meer joodse rituele voorwerpen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn verdwenen en die nu opgespoord moeten worden. “In Oost-Europa heeft de plaatselijke bevolking veel joodse bezittingen geplunderd en na de oorlog hebben de communistische staten alle joodse collecties geconfisqueerd. Veel van deze voorwerpen zijn daarna in musea terechtgekomen.

„In Nederland zijn niet alleen door de Duitsers, maar ook door NSB’ers voorwerpen uit privécollecties en synagogen in de provincies geroofd. Via veilingen en kunsthandels zijn ze verder verdwenen. Ook zijn er judaïca die in de oorlog ergens zijn verstopt of in bewaring zijn gegeven en daarna zijn vergeten.”

Voorwerpen die op onverwachte plaatsen weer opduiken geven een goede indruk van wat er allemaal gebeurd is en gebeurd kan zijn. “Museum De Fundatie in Zwolle kwam er achter dat het een Torakast in bezit heeft. In een oude catalogus van het Haagse veilinghuis Van Marle en Bignell, dat tijdens de oorlog met de Duitsers samenwerkte, stond hij te boek als ‘kabinet’.”

Makelaarsstokjes

In het Museo Nazionale van Trento bevindt zich de collectie porselein van de Duitse jood Julius Kaumheimer, die in 1935 naar Italië was gevlucht. Toen hij in 1939 naar San Francisco vertrok, beschuldigde de Italiaanse overheid hem van smokkel en nam zijn collectie in beslag. Het Museum in Trento, dat de collectie toen kreeg, beschouwt zichzelf nog steeds als de wettige eigenaar. En in Polen herkende een wiskundeprofessor in zijn kerk in Krasiczyn, tweehonderd kilometer ten oosten van Krakau, een bank uit de voormalige afgebrande plaatselijke synagoge. Na overleg met zijn priester is de bank geschonken aan de joodse gemeenschap van het zeshonderd kilometer verder gelegen Poznan .

Tot Cohens verbazing kwam ze ook in haar eigen museum voorwerpen tegen die andermans eigendom bleken te zijn. “Toen in 1999 bij de Nederlandse musea onderzoek werd gedaan naar de herkomst van kunstvoorwerpen die als gevolg van de Tweede Wereldoorlog rijksbezit waren geworden, dachten wij dat we niets hoefden te doen. Wij waren immers slachtoffer. Maar toen kregen we ineens een claim van nazaten van Emanuel Vita Israel, de eerste conservator van het museum.”

De conservator zou onder andere rollen van het boek Esther en zogenoemde makelaarsstokjes, houten staafjes met zegels waaraan in de zeventiende en achttiende eeuw de erkende makelaar was te herkennen, in bruikleen hebben gegeven. “Na onderzoek bleek dat er al in de jaren zeventig met de familie was gecorrespondeerd, maar dat toen de tijd nog niet rijp was om als joods museum op dergelijke claims in te gaan. Wij hebben de voorwerpen eerst teruggegeven en daarna gekocht.”

Cohen weet dat meer joodse musea op de wereld voorwerpen in hun collectie hebben die elders tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn geroofd. “Om het onderzoek te vergemakkelijken zouden alle musea elektronische databases moeten aanleggen met voorwerpen zonder duidelijke herkomst. Wij hebben zelf nu ook een oorlogsgerelateerde database.” Via zo’n elektronisch bestand heeft ze in 2007 ontdekt dat een kostbare achttiende-eeuwse Toramantel die de Leidse joodse gemeente voor de oorlog aan het Joods Historisch Museum in bruikleen had gegeven nu in het Israel Museum in Jeruzalem is (zie kader).

Voorzichtig geformuleerd is ze niet gelukkig met hoe het Israel Museum – “maar ook andere Israëlische en sommige Amerikaanse joodse musea” – omgaat met onderzoek naar de herkomst van geroofde judaïca in hun collecties. “Het Israel Museum heeft pas in 2007 en na druk van buitenaf een database gemaakt met ruim zevenhonderd voorwerpen zonder duidelijke herkomst die ze via Jewish Cultural Reconstruction hebben gekregen. Bovendien zitten er onvoldoende foto’s bij en is de beschrijving beperkt. De Leidse Toramantel zit nog steeds in de database, maar zonder vermelding van de nu vastgestelde herkomst.”

Cohen benadrukt dat haar onderzoek niet om restitutie draait. “Ik wil vooral achterhalen wat er met de voorwerpen is gebeurd. We weten bijvoorbeeld nog steeds niet welke waarde de Duitsers aan de joodse ceremoniële voorwerpen toekenden. Anders dan met boeken was er geen aparte afdeling die zich ermee bezighield.”