De gastarbeider en het dorpshuis

Op 9 september 1977 werd een illegale Turk de Amsterdamse Singelgracht ingeduwd. Zijn weduwe en vier kinderen moesten zich daarna zelf zien te redden in Dedeçam, Turkije. Over Nederlands schaamtegeld en een weerzien na 34 jaar. „Mehmet? Je lijkt op de foto van je vader.”

Aan de rand van de Anatolische hoogvlakte, zo’n driehonderd kilometer ten noordoosten van de Turkse vakantiebestemming Antalya, ligt een stoffig dorp, Dedeçam. ’s Winters telt het gehucht 2.500 zielen, ’s zomers – als de Europese Turken hun geboortegrond opzoeken – het dubbele. De zuil met de elektronische klok is nieuw, net als de fontein in de stenen zitkuil waar oude mannen de schaduw zoeken. Maar de moskee, de hobbelige weg en de steile heuvel in het rood-gekleurde landschap zijn nog dezelfde.

In 1977 was ik hier ook en raakte ik met mijn vinger de dunne streep schapenbloed aan, die als zoenoffer liep over het graf van Ibrahim Uysal, gastarbeider in Amsterdam. Zijn lichaam was een dag eerder in een kist in Ankara aangekomen. Het telegram waarmee Uysals vrouw en hun vier kinderen van zijn dood op de hoogte werden gesteld, had de dorpsoudste ’s ochtends aan de deur gebracht.

Dit stond erin: De kist van meneer Uysal, die op 9 september is overleden, wordt vrijdag 16 september per vliegtuig naar Ankara vervoerd.’ [...] ‘Met gevoelens van meeleven. Minister van Buitenlandse Zaken.’ Halsoverkop regelden de dorpelingen een bestelwagen om op tijd in Ankara te zijn.

Ibrahim Uysal, 44 jaar, was dood. Echtgenoot van Refika Uysal – 41 jaar en arm. Vader van vier kinderen: Mehmet (17), Ismail (9), Ellez (7) en Duran (4). Zeven jaar eerder was hij als kostwinner naar Nederland vertrokken om geld te verdienen voor een huis van steen. Wat was er gebeurd? Een dag na de begrafenis verschenen een Nederlandse verslaggeefster en een Turkse tolk in het dorp. Eerst lichtten ze de dorpsoudste in, daarna Ibrahims broer, Bayram. En toen moesten ze Ibrahims ouders en – het ergste – zijn kersverse weduwe Refika nog onder ogen komen.

Dronken van de kermis

Dit was er in Amsterdam gebeurd: op vrijdagavond was Ibrahim Uysal op weg van de moskee aan het Rokin naar zijn kamer in de Jordaan. Een groep jongens kwam dronken van de kermis op de Lindengracht en liep achter hem aan. De jongens grepen Uysal beet, vroegen of hij kon zwemmen en jonasten hem over de brugleuning van de Singel het water in. Eerder die week hadden ze precies hetzelfde gedaan. Toen had het slachtoffer zich met behulp van omstanders kunnen redden – met moeite, want de daders gingen op zijn handen staan toen hij de kademuur vastgreep.

Maar Ibrahim Uysal kon niet zwemmen. Bovendien had hij meerdere truien over elkaar aan, tegen de kou. Toen grachtenbewoner Boudewijn Jansen na het eten een ommetje maakte, zag hij op de brug bij de Torensluis jongens uit elkaar stuiven. In het water spartelde iets. Jansen sprong de gracht in, maar Uysal was al verdronken. Als een zak lag het lijk op de kademuur. De politie maakte een foto van de dode. Die stond de volgende dag in de krant, naast het bericht.

Uysal bleek een illegaal. Hij had geen papieren bij zich en kon niet geïdentificeerd worden. De voorman van de plaatselijke Turkse gemeenschap, Ibrahim Görmez, vertelde de politie dat de verdronken man een trouw bezoeker was van Nederlands eerste moskee, de aangepaste Nieuwezijds Kapel aan het Rokin. Enkele dagen later had de politie tien verdachten opgepakt. De hoofdverdachte was ‘een bekende van de politie’.

Rechercheur Frits Grethe herinnert zich dat „de korpsleiding dit zo’n misselijkmakende zaak vond dat álle mankracht erop werd gezet”. „Het gevoel was: door arrestatie van de verdachten probeerden we het leed te verzachten voor zijn nabestaanden.”

Drie decennia later sta ik opnieuw in Dedeçam. Het lot van de weduwe en haar vier kinderen is me altijd blijven intrigeren sinds de dag dat ik haar ontmoette. Struikelend over losliggende keien kwam ze toen van de berg af, luid weeklagend: „Ze hebben mijn man als een beest verscheurd. En ik, ik ben nu helemaal alleen. Ik heb nu nog vier kinderen, wezen. De wereld is voor ons ingestort. Ach, hoe weet u wat wij voelen?”

Later die avond bereidde ze buiten de lemen hut – niet meer dan een hol in de bergwand, kleed op de vloer, matrassen en dekens voor de familie tegen de achterwand gestapeld – een begrafenismaal voor de mannen en de verslaggeefster. Dat bleef me in de keel steken. En bij het afscheid kwam ze achterop gehold. Ze greep mijn hand en keek me voor het eerst aan, ogen vol tranen. Andere vrouwen volgden.

Nederlanders schaamden zich toentertijd zo diep voor wat er gebeurd was, dat ze een kapitaal bijeen brachten om iets van de misdaad goed te maken. Na de reportages over Refika Uysal stroomde het geld voor het gezin binnen: bij de stadskranten Het Parool en het Nieuws van de Dag, bij de moskee aan het Rokin en bij de Amsterdamse grachtenbewoner Boudewijn Jansen die voorzitter werd van een Stichting Ibrahim Uysal. Jansen herinnert zich nu nog dat „oude vrouwtjes envelopjes met 5 gulden aan de deur kwamen brengen”. En het sloopbedrijf waar Uysal illegaal had gewerkt, gaf 500 gulden, „dat was verreweg het grootste bedrag in één keer”.

Toen de stroom opdroogde, lag er 470.000 gulden ‘schaamtegeld’. Te veel om in één keer uit te keren aan een gezin of een dorp. Uiteindelijk kreeg Dedeçam een dorpshuis annex schoolbibliotheek, ontvingen de vier kinderen elk een bedrag van 25.000 gulden en kreeg Refika Uysal voor de rest van haar leven elke maand 1.000 gulden (470 euro) uit een koopsompolis en het stenen huis dat haar man had willen bouwen. Dat nieuws kwam stichtingsvoorzitter Boudewijn Jansen haar in oktober 1977 zelf vertellen. Hij had een Nederlandse baksteen meegenomen die naast de voordeur zou worden ingemetseld.

Brandweerwagens

Op een oktobermorgen in 2011 is Dedeçam zéér voorbereid op de komst van Nederlanders. Ik heb me mogen aansluiten bij een delegatie van het gemeentebestuur van Gorinchem – de locoburgemeester, een voormalig topman van de brandweer en twee raadsleden van Turkse afkomst. Zij zijn uitgenodigd omdat Gorinchem een afgeschreven brandweerwagen aan de Turkse gemeente cadeau heeft gedaan. Zustersteden zijn het niet, maar verschillende bewoners van Dedeçam vonden werk in Gorinchem en omgeving, bij staalconstructiebedrijf De Vries Robbé en bij de glasfabriek van Leerdam. De wijde omgeving, zal de Turkse burgemeester zeggen, is stikjaloers op het geavanceerde voertuig dat er al voor heeft gezorgd dat twee mensenlevens en een in brand gevlogen wijngaard zijn gered.

De brandweerwagen is glanzend opgepoetst voor de inspectie door de Gorcumse gevers. Erachter staan de resten van het door Nederlanders geschonken dorpshuis-annex-bibliotheek. Het is afgebrand, nadat kinderen er met vuur hadden gespeeld.

De mannen van het dorp hebben net hun stoel ingenomen rond de tafel met schalen fruit en kannen water bestemd voor een gastvrije middagmaaltijd, of een lange, magere man met een zwarte hangsnor grijpt met beide handen mijn hand. Het is een schokkend moment: hier staat het evenbeeld van de politiefoto.

„Mehmet”, probeer ik ongelovig.

Hij schudt mijn hand op en neer, straalt: „Mehmet Uysal!”

„Je was toen 17”, zeg ik. „Je lijkt nu precies op de foto van je vader.”

Ali Koçak, Gorcums raadslid, vertaalt: „Hij zegt dat zijn moeder dat ook zegt. Dezelfde glimlach. En hetzelfde temperament. Driftig soms.”

Mehmet wijst naar een tweede man. „Ismail!” De jongere broer, formeler en afstandelijker. Hun twee jongste broers, zeggen ze, werken in Frankrijk. Het gaat ze goed. Refika zal ik straks zien. Eerst de maaltijd. Zo heeft de burgemeester, strak in pak en overhemd, het geregeld.

We werken ons door een keur van gerechten heen: rijstsoep, pasta, kip, vlees, Turks fruit. Na het fruit richt de burgemeester zich tot mij. Er is, zegt hij, een probleem met het dorpshuis. Dat staat op instorten. „Kunt u, als belangrijk journaliste die al veel van de wereld heeft gezien, niet aan Refika Uysal vragen om haar verzet tegen sloop ervan op te geven?” Want voor herbouwen is geen geld. De gemeente heeft het niet en de familie Uysal heeft het ook niet. Vandaag of morgen gebeuren er ongelukken bij die ruïne!

Ali Koçak heeft al zijn diplomatieke behendigheid nodig om met mijn antwoorden – „Dit is mijn taak niet” en „Het fonds Uysal is allang leeg” – de burgemeester niet voor het hoofd te stoten. En dan zie ik bij Mehmet Uysal naast mij stille tranen over de wangen lopen.

„Mehmet”, zeg ik. „Wat is er? Wordt het je te veel?” En tegen de burgemeester: „Laten we het over een ander onderwerp hebben.”

Slopen of verbouwen

Eindelijk, na de maaltijd, gaan we met z’n vieren – de verslaggeefster, de tolk en de twee broers Uysal – op weg naar het huis dat Nederlanders voor Refika en haar gezin hebben laten bouwen. Buiten gehoorsafstand van de burgemeester vraag ik Mehmet en Ismail wat zij vinden dat er met het dorpshuis moet gebeuren. Opbouwen, zeggen ze. Het is verbonden met de naam van hun vader. En het is een geschenk van Nederland. Dat kun je toch niet afbreken? Hun moeder wil best óók bijdragen in de opbouw, maar zij heeft niet genoeg geld om dat alleen te doen.

Mehmet laat me zijn hand zien, na een ongeluk in de houtzagerij kan hij er niks meer mee. Zijn vrouw heeft hem drie jaar geleden verlaten, de schande. Hij is 50 jaar. Hij kan niet werken en heeft geen inkomen. Hij is bij zijn moeder ingetrokken, zij onderhoudt hem van haar uitkering. Hij laat alle zaken die een oudste zoon moet doen nu aan Ismail over.

Het huis dat Nederland schonk staat niet ver van het graf van Ibrahim Uysal, aan de rand van het dorp. Er staat een hek omheen en het is rood gestuct. Die symbolische Nederlandse baksteen , zegt Ismail, zit verstopt onder de stuclaag.

Door het hek komen twee vrouwen naar buiten. Ik weet meteen wie Refika is: hetzelfde gezicht, alleen meer verschrompeld. Ze grijpt me vast, kust me, en we zeggen in onze blijdschap over dit weerzien onverstaanbare dingen tegen elkaar.

Binnen schenkt de vrouw van Ismail Nescafé in en presenteert ze kleine zoetigheden. Refika Uysal zit op de bank, in een beige vest over een beige trui. Ze kijkt naar me. Haar handen liggen open op schoot. Aan de ene muur hangt een portret van Atatürk, aan de andere muur een reusachtige ingelijste foto van Refika met Ismail, vrouw en kinderen aan de andere. Boven de bank een metalen komeet met een klok in het midden. Mehmet zit en zwijgt, Ismail praat, de tolk vertaalt.

Over Holland heeft ze geen oordeel, zegt Refika Uysal. Wat met haar man gebeurd is, dat wilde niemand. Maar ze is dankbaar gestemd dat Nederlanders, nota bene katholieken en protestanten, zich om een moslim hebben bekommerd. Dat was wel het laatste wat ze verwacht had. Ze drukt zich uit in formele zinnen. „Dat we die waarden gemeen hebben, dat besef zal ik meenemen in mijn graf. Dat Holland ons destijds niet is vergeten, terwijl er mensen in ons dorp waren die ons wel vergaten, is ontroerend.” Ze legt haar hand op het hart.

Ik zeg gehoord te hebben dat de belangrijkste dader van de moord op haar man zelf om het leven is gebracht. Heeft ze daar commentaar op? Ze reageert gelijkmatig: „Dat laat ik aan Allah over.”

En het dorpshuis? Ze schiet vuur. Elke keer als ze er langsloopt, doet het pijn dat het er zo bij ligt. Dat de burgemeester dit gebouw het liefst wil afbreken „wat de naam van mijn gestorven man draagt en wat jullie als Nederlanders hebben gegeven – dát willen we niet toestaan”.

Ze brengt ons naar de auto die de burgemeester de delegatie uit Gorinchem ter beschikking heeft gesteld. De Nederlandse locoburgemeester kijkt naar het dorpshuis en naar de brandweergarage in aanbouw (voor alle zekerheid geschikt voor twéé brandweerwagens) en mompelt iets van „prioriteiten stellen”.

Watergraafsmeer

Dit is niet een probleem dat Nederland alsnog voor Dedeçam kan oplossen. Dat beamen de twee Nederlands-Turkse raadsleden. Onder hen Ibrahim Elmaci. Hij is in Dedeçam geboren en stond als jongetje tussen de dorpelingen die zich in 1977 verdrongen om de Nederlandse verslaggeefster en haar tolk, zegt dat ondanks de diepe indruk die de dood van Uysal had gemaakt veel dorpsgenoten alsnog naar Gorinchem en Leerdam trokken om daar te werken. „Economische noodzaak woog toch zwaarder.”

Het Gorkumse raadslid hoort nu voor het eerst van Nederlandse kant over de schaamte van de Nederlanders, over de inzet van de politie om de daders te vinden en over de spontane vrijgevigheid voor de nabestaanden. Ik vraag hem wat hij daarvan vindt, gezien het huidige politieke klimaat in Nederland.

Hij weet zeker: als Ibrahim Uysal nu weer in het water zou worden gegooid, als daar weer over zou worden bericht, dan zou het Nederlandse gevoel van schaamte er misschien niet zijn. En dat willen goedmaken met geld? „Dat zou nu niet meer gebeuren.”

Dezelfde vraag had ik voor vertrek naar Dedeçam gesteld aan Ibrahim Görmez. Hij was in 1977 voorman van de Turkse gemeenschap in Amsterdam en bestuurde jarenlang de in 1997 opgeheven Stichting Ibrahim Uysal. Görmez woont met een Nederlandse vrouw en Turks-Nederlandse kinderen in Amsterdam-Watergraafsmeer. Hij lijdt onder het politieke klimaat, zegt hij, dat zijn religie verkettert. „Criminelen zijn criminelen. Van welke religie ook. Pak de criminelen aan. Maar kom niet aan iemands geloofsovertuiging.”

Met weemoed denkt hij terug aan de emotionele warmte die hij en zijn medelanders destijds van de Nederlanders ontvingen. Slechter betaald, slechtere werkomstandigheden dan de autochtone werknemers zelf – dat namen ze op de koop toe.

En nu?

„Mevrouw”, zegt Ibrahim Görmez over Nederland, „dit is mijn land niet meer.”

    • Hieke Jippes