Wandel mee aan de nachtzijde

Het verzameld werk van de Roemeens-Franse schrijver Emil Cioran verschijnt in La Pléiade. Graag flirtte de filosoof met de verleiding van het levenseinde, om er toch maar vanaf te zien.

Photo datée du 10 juillet 1981 de l'écrivain et philosophe d'origine roumaine Emile Cioran dans sa chambre à Paris. Picture dated 10 July 1981 of writer and philosopher of Rumanian origin Emile Cioran in his room in Paris. AFP

E.M. Cioran: Oeuvres. Bezorgd door Nicolas Cavaillès en Aurélien Demars. Gallimard (Bibliothèque de la Pléiade), 1.659 blz. € 33,-

‘Om zichzelf van het leven te benemen, moet iemand verrast worden door het ongeluk, moet hij in staat zijn nog iets anders te kunnen zien. Alleen een frisse ziel, overweldigd door ontgoocheling, kan het besluit nemen tot zulk een beslissende daad.’

Wie zoiets schrijft moet óf een cynicus óf een ervaringsdeskundige zijn. In de daad van de hoogste wanhoop een paradoxaal teken van levenslust te zien, een bewijs van een nog altijd te grote hang aan het geluk, is een onbeschaamdheid die alleen de definitief ontgoochelde zich mág en de spotter zich wíl veroorloven.

De Roemeens-Franse schrijver en denker Emil Cioran (1911-1995) was waarschijnlijk allebei tegelijk. Hij schreef deze observatie als opmaat tot een korte beschouwing van de zelfmoord waarschijnlijk halverwege de jaren veertig. Vijf in het Roemeens geschreven boeken had hij al gepubliceerd, maar inmiddels had hij – vanaf het eind van de jaren dertig woonachtig in Parijs – besloten voortaan alleen nog in het Frans te zullen schrijven.

Dat zou uitmonden in een tiental boeken die nu in een voorbeeldig bezorgde editie zijn samengebracht in een deel van de Bibliothèque de la Pléiade. Het is een statig eerbetoon aan de man van wie in april van dit jaar de honderdste geboortedag werd gevierd.

Die honderdjarigheid heeft Cioran niet gehaald. Hij stierf in 1995. Niet door eigen hand, maar langzaam door Alzheimer uitgewist. Zeven jaar eerder was er nog een prachtig fotoboek met portretten van hem verschenen, waarvoor hij – eigenlijk al uitgeschreven – nog een twintigtal aforismen had geformuleerd. De titel ervan luidde veelzeggend L’Élan vers le pire (‘De drift tot het ergste’), het kortste aforisme: ‘Alles is overbodig. Leegte zou voldoende zijn geweest.’

Beide teksten zijn in deze editie van de Oeuvres opgenomen, hoewel ze geen van tweeën horen tot het eigenlijke werk. De laatste niet omdat Cioran dat officieel al had afgesloten, en de eerste omdat hij hem nooit heeft gepubliceerd. Bij de voorbereiding van zijn eerste Franse boek, Précis de décomposition (‘Korte schets van ontbinding’) viel die overpeinzing ten offer aan het rode potlood. Samen met nog zo’n dertig andere korte teksten hebben de samenstellers hem opnieuw boven water gehaald.

Jaren van bijvijlen en herschrijven, selecteren en schrappen had dat eerste boek hem gekost, zo heeft Cioran later herhaaldelijk verteld. En wie de hervonden fragmenten leest, begrijpt waarom. Ze hebben nog lang niet de scherpte en elegantie waarom Ciorans essays, aforismen en ultrakorte beschouwingen later beroemd zouden worden. Wanneer hij aan het eind van de jaren zestig opnieuw op de zelfmoord terugkomt, zegt hij het veel bondiger: ‘Het simpele feit naar een mes te kijken en te zien dat het alleen van jou afhangt dat te gebruiken, geeft een gevoel van almacht dat uitloopt op megalomanie.’

De zelfmoord is de ultieme poging het leven toch nog in eigen hand te nemen. Dat had hij halverwege de jaren veertig al opgeschreven: onhandiger maar daardoor ook aandoenlijker dan hij het later zou doen. En daarmee zette hij de toon voor zijn hele Franse werk: het leven belasteren om het op het nippertje toch nog te kunnen uithouden, flirten met de verleiding van het levenseinde, om daarvan uiteindelijk steeds weer af te zien. Een leven lang worstelde Cioran met een slapeloosheid die hem, nacht na nacht, met de neus drukte op de duistere helft van het bestaan.

Dat leverde hem gaandeweg een steeds grotere schare lezers en bewonderaars op. In brieven schreven zij hem hoe zijn illusieloze levensvisie hen paradoxaal genoeg zelf voor de wanhoop had behoed, of hoe zij de ineenstorting van hun eigen idealen erdoor hadden kunnen aanvaarden. Pas in de jaren tachtig vond Cioran ook buiten de kring van literatuurkenners weerklank. Het was de tijd waarin de ene politieke droom na de andere vervloog en alles wat jong of links was er verweesd bij stond. Eerst in Duitsland en toen in Frankrijk werd hij door een beteuterde generatie omarmd. In Nederland werd hij in 1984 voor het eerst vertaald. Inmiddels is een zesde Nederlands boek op komst: allemaal afkomstig uit zijn Franse periode.

Zo ontgoocheld en geserreerd als hij daarin schrijft was Cioran niet altijd geweest. In de vijf Roemeense boeken van vóór zijn vertrek naar Parijs was het er eerder omgekeerd aan toegegaan. Extatisch en vol levensdrift had hij het bestaan er nu eens op een Nietzscheaanse manier omarmd, dan weer met mystiek vuur vervloekt. En hij had het niet alleen bij de filosofie gehouden. In zijn berucht geworden pamflet De transformatie van Roemenië had hij zich een enthousiast aanhanger betoond van de fascistische geest die in de jaren dertig ook zijn land in de ban had gekregen. Als student in Berlijn had hij in krantenartikelen bewonderend verslag gedaan van de omwenteling die in Duitsland was ingezet.

Die Roemeense geschriften (inmiddels allemaal in het Frans vertaald) zijn in deze Pléiade-editie niet opgenomen, net zo min als de nagelaten fragmenten die in 1997 in een dikke band zijn uitgegeven. Het Roemeens werk zal later gebundeld verschijnen bij uitgeverij L’Herne. Cioran zelf heeft er altijd afstand toe bewaard en sommige ervan verloochend, al heeft hij zich sinds het bekend worden van zijn jeugdzonden nooit meer van hun schaduw kunnen ontdoen. Hij bleef een schrijver die pas door de wereldbrand van de Tweede Wereldoorlog zijn stem vond, op hetzelfde moment als waarop het Frans zich aanbood als de taal waarin zijn wanhoop zich tot uitgebalanceerde aforismen liet slijpen.

Daarin leek Cioran wel wat op Heidegger, wiens heroïsche pose eveneens door de oorlog was afgestraft, maar tot wie hij niettemin een gereserveerde afstand bewaarde. Hij hield niet van ‘beroepsfilosofen’, zoals hij Heidegger in zijn laatste boek noemen zou, al reserveerde hij zijn grootste verachting voor Jean-Paul Sartre. De filosoof die niets geleerd had van de nederlaag die het bezige denken steeds weer lijden moet tegenover het leven, overschaduwde hem in Frankrijk gedurende tientallen jaren. Hij onderging het met een cynische gelatenheid, want tenslotte: wat zou men ánders van een door haar optimisme verblinde wereld verwachten?

In 1995 verscheen in de Quarto-reeks van Gallimard al eerder een verzamelband met Ciorans werken, toen inclusief die op dat moment beschikbare Roemeense teksten. De nieuwe Pléiade editie biedt méér door zich op minder te concentreren. Een prachtige inleiding van Nicolas Cavaillès over Ciorans filosofie die een levenswijze werd (of andersom), uitvoerige bio- en bibliografische informatie, en vooral een gedetailleerde annotatie, die veel duisterheid verjaagt. Cioran drukte zich graag indirect uit en noemde zelden namen. Nu weten we dat hij met de even trefzekere als dodelijke uitdrukking ‘handelaar in ideeën’ al in het begin van de jaren vijftig diezelfde Sartre beschimpte.

Honderd jaar na zijn geboorte is de tijdgeest opnieuw met Ciorans compromisloze pessimisme gaan mee-resoneren. In het doemdenken dat Europa in zijn ban gekregen heeft klinken zijn protesten tegen het doenerige bestaan als even zovele vanzelfsprekendheden. Voor wie niet van nature tot zwartkijkerij geneigd is, zijn ze minder vanzelfsprekend. Ciorans verbetenheid om in vrijwel alles (voor Bach maakt hij een uitzondering) een vervloeking van het bestaan te zien, kan licht gaan irriteren of minstens werken op de lachlust.

Dat laatste zou hem niet gestoord hebben. Ooggetuigen omschrijven hem als een vrolijke man. Een raadsel: die discrepantie tussen leven en werk. Of toch niet? Juist wie het leven zo kwaad nog niet vindt, staat in zijn boeken misschien voor zijn lastigste uitdaging. Steeds weer voert Cioran hem terug naar de nachtzijde, irritant maar onloochenbaar, om hem toch nog even uit de slaap te houden.

    • Ger Groot