Vakbeweging aan zijden draad

Het zou zomaar kunnen dat na dit weekeinde een einde komt aan een eeuw ‘moderne vakbeweging’ in Nederland. Komende dagen komen de negentien bondsvoorzitters van de FNV in Dalfsen bijeen om te kijken of de scherven nog bij elkaar geraapt kunnen worden. Lukt dat niet – en daar zijn veel signalen voor – dan stappen de Bondgenoten, Abvakabo en misschien Bouwbond uit de FNV.

Dan resteert een vakcentrale die niet meer representatief is. Het is dan gedaan met het concept dat na de mislukte spoorwegstaking van 1903 werd geboren en na 1945 vorm kreeg in het ‘poldermodel’ – het idee dat vakbonden niet alleen de belangen van de leden behartigen maar ook meedenken over de inrichting van de sociale markteconomie.

De directe aanleiding voor dit cruciale weekeinde is de rapportage van de ‘verkenners’ Han Noten en Herman Wijffels, die een uitweg moesten zoeken uit het conflict over het pensioenakkoord in de vakcentrale. Rekenkundig gezien steunde een meerderheid van de federatie het beleid van FNV-voorzitter Agnes Jongerius. Maar door de tegenstem van Bondgenoten en AbvaKabo, die samen 45 procent van de stemmen vertegenwoordigen, had die meerderheid weinig waarde.

De impasse bewijst dat het bestuurlijke model van de FNV, waarin een zekere mate van solidariteit en harde belangen elkaar in evenwicht moesten houden, geen soelaas meer biedt. Het eigenbelang prevaleert allengs meer.

Maar de tweedeling heeft niet alleen een organisatorische achtergrond. Er is meer aan de hand. De basis en het kader van de grote bonden worden gedomineerd door aanhangers van de SP. PvdA’ers, laat staan aanhangers van GroenLinks, zijn daar amper nog te bekennen. Tijdens de Koude Oorlog was er binnen de vakcentrale een heimelijke afspraak dat CPN’ers kort werden gehouden, mede omdat communisten met hun syndicalistische ‘actiebereidheid’ de positie van de vakbeweging in het ‘overlegmodel’ in gevaar konden brengen. Die tijd is voorbij.

Dat is geen uniek Nederlands verschijnsel. In veel postindustriële landen, waar de kloof tussen (hoog)geschoolde arbeid en flexibele en onzekere baantjes groeit, wordt de vakbeweging verscheurd. Gevolg is dat de sociale verhoudingen wispelturiger worden. Dat schept onzekerheid voor het ondernemingsklimaat. Zoals bedrijven voor hun continuïteit belang hebben bij een zekere interne harmonie, zo heeft het model ook behoefte aan sociale partners die elkaar willen verstaan. Zeker in crisistijd. In die zin heeft de mogelijke breuk binnen de FNV effect op de vakcentrale zelf maar ook op de sociale verhoudingen daarbuiten.