Openbaring, zoekplaat en examen

Kristen Lubben (red.): Magnum Contactafdrukken. Thoth/Lannoo, 508 blz. €95,-

Ooit heeft een Chinees het in zijn eentje opgenomen tegen het Chinese leger. Het is 4 juni 1989. De foto laat een bijna lege avenue in Peking zien, rechts nadert een tankcolonne en, van links, komt een kleine man met plastic tasje in zijn hand. Eerder was het nabije Tiananmenplein met veel overmacht schoongeveegd. Genoeg is genoeg, moet de man gedacht hebben. Hier sta ik, plet me maar onder je rupsbanden, als je durft.

Die ene foto was een voltreffer, genomen vanuit een hotelkamer. Maar wat zag fotograaf Stuart Franklin vóór en na dat incident?

Al die seconden liggen vast op een contactvel met dia-positieven, als visuele bewijsvoering. Op de eerste beelden strekt zich de stedelijke verte uit, met overheidsgebouwen, boompartijen en veel asfalt. En op de volgende reeks komen de witte lijnen van de avenue in zicht, plus vier, vijf tanks en een zebrapad met een stip erop. Gelukkig heeft de fotograaf die ene stip in de gaten. Hij zoomt in tot het uiterste en maakt drie opnamen van de verzetsheld die de tanks tot stilstand dwingt. Blijkbaar is Franklin er zo verbijsterd over, dat hij vergeet vast te leggen wat er daarna met de man gebeurt, want ineens is het zebrapad leeg. Hij zoomt uit, de tankcolonne sluipt voort, voetgangers en fietsers gaan hun gangetje – alsof er elke dag wel iemand in Peking rondloopt die het leger voor schut zet.

Vanaf zijn oprichting in 1947 heeft het fotoagentschap Magnum contactvellen van diapositieven, zoals die van Franklin, maar vooral van foto’s gearchiveerd. En dat was visionair, want door de digitalisering zullen deze historische documenten ongetwijfeld worden opgewaardeerd. Voor menig fotograaf betekende zo’n contactvel een confrontatie met zijn eigen onkunde – en die kon je uit de weg gaan door het blad ongezien naar een redacteur of opdrachtgever te sturen. Anderen leerden er juist veel van, betreurden dat ze in de haast de foute keuzes hadden gemaakt, of ontdekten jaren later een opname die opeens een meesterwerk bleek.

Dit alles is te lezen in een nieuw boek van Magnum: een vuistdikke stoeptegel – 435 foto’s en illustraties, waarvan 230 in kleur – over het thema contactvel. Het bestrijkt ruim zestig jaar en is ingedeeld in decennia. Steeds is met een uitverkoren foto het desbetreffende contactvel afgebeeld, compleet met kaders en kruisen in rood of geel vetkrijt, die de favorieten en misbaksels van maker en/of Magnum-redactie markeren. Het hoe, waar en wanneer van elke opname beschrijft de fotograaf zelf, een nabestaande of collega.

Veel grote namen en icoonbeelden kom je tegen: van Henri Cartier-Bresson, Robert Capa, Eve Arnold en Martine Franck tot en met Martin Parr, Paolo Pellegrin, Carl De Keyzer en Abbas. Veel grote gebeurtenissen ook: van Vietnam tot Afghanistan, van de Hongaarse Opstand in 1956 tot de aanslagen van 9/11. Die ellende kennen we wel, maar wat gebeurde er na zo’n oorlog? Herbert List krijgt in 1946 de opdracht het gebombardeerde München vast te leggen. Hij fotografeert – als de estheet die hij was – de zwaar gehavende gipsen afgietsels van klassieke jongelingen in de academie daar. Geen enkele opname uit die reeks werd gepubliceerd, maar in dit boek wél. Dramatische schoonheid van Duitse origine hield men destijds liever even voor gezien.

Een contactvel is een openbaring, een zoekplaat en een examen tegelijkertijd. Het onthult veel over de fotograaf: diens slordigheid of willekeur, perfectionisme of eenzijdigheid, paniek of boeddhistisch geduld, zuinigheid en overvloed. Terwijl Werner Bischof in 1951 twaalf opnamen nodig had om van de besneeuwde binnenhof van de Mejitempel in Tokio een zwart-witsprookje te maken, nam René Burri in 1963 maar liefst 77 close-ups van Che Guevara, die trouwens geen enkele keer in de camera wenste te kijken.

Duidt zo´n hoeveelheid op onzekerheid, luxe of op het uitbuiten van een once in a lifetime-ervaring? De teksten bieden geen antwoord en weinig introspectie, maar wél camerakennis, ooggetuigeverslagen, herinneringen en anekdotes. Zo draaide Henri Cartier-Bresson de contactvellen die hij bij Magnum onder ogen kreeg, keer op keer in het rond, ‘hij liet ze dansen op zijn vingertoppen’. Daarbij vertrouwde hij steevast op zijn intuïtie die in die rondedans zijn blik zou dirigeren naar de meest afgewogen compositie.

Naarmate de tijd in het boek verstrijkt, kiest Magnum vaker voor in your face-fotografie. Dynamiek, emotie, suspense – het contactvel krijgt meer cinematografische allure, zo lijkt het. Het lijkt soms op de analyse van een filmshot. En je staat als toeschouwer zó bovenop het beeld dat je dezelfde rillingen krijgt als die van een visser die in woest Spaans water eigenhandig slag levert met een schol tonijnen.

Verderop in het boek varen Haïtiaanse vluchtelingen naar de VS. Er is die nacht in 2000 geen ster te bekennen. Wat ze vrezen wordt bewaarheid: de boot begint te zinken, op volle zee, 44 mensen houden de adem in. Ook de meereizende fotograaf Christopher Anderson weet niet beter of dit is dan zijn laatste uur. En wat doet hij met zijn camera? Hij maakt als verlamd steeds dezelfde opname van de dezelfde zwarte man die in dezelfde doodsangst dekking zoekt. Het liep trouwens goed af, de kustwacht kreeg hen in de gaten.

Martin Parr noemt dit leerzame, caleidoscopische Magnum-boek ‘een grafschrift voor het contactvel’. Hij heeft gelijk, want er mag dan al een app bestaan die zo’n vel digitaal nabootst, het is gedaan met de verrassingen die het in petto had, met de urgentie die er soms vanaf spat en bovenal met de authenticiteit ervan, want een contactvel kan niet liegen.

    • Marianne Vermeijden