Nieuw, autonoom en zwart

Niet als slachtoffer maar als talent moet de zwarte Amerikaan de wereld bekijken. In Who’s Afraid of Post-Blackness pleit de journalist Touré voor een nieuw zwart bewustzijn, met Obama en Oprah Winfrey als voorbeelden.

en zwarte man die na een balletvoorstelling door Harlem loopt met zijn blanke vrouw, druk napratend op zoek naar een sushirestaurant. Een zwarte peuter in een kamer vol blanken die gretig een stuk watermeloen verorbert. Een zwarte klant in een winkel met een donkere bewaker op geringe afstand. Ze zijn alle drie hoofdrolspeler in een complex rassendrama, betoogt de zwarte schrijver en Rolling Stone-journalist Touré op diverse momenten in zijn boek Who’s Afraid of Post-Blackness. What It Means To Be Black Now.

De zwarte man voelt, terwijl hij door Harlem loopt, the black gaze in zijn nek prikken; de afkeurende blik van zelf benoemde ‘authenticiteitagenten’, zoals Touré ze noemt. Zij vinden de man met zijn blanke vrouw, sushi en ballet niet zwart genoeg. De vader van de peuter vreest dat de blanken lachen omdat het kind een vooroordeel bevestigt (‘zwarte Amerikanen zijn dol op watermeloen’). En de klant waant zich bespied door de zwarte bewaker en vraagt zich af wat die voelt bij zijn al dan niet vermeende opdracht donker publiek extra in de gaten te houden.

Touré interviewde voor zijn essayistisch opgezette boek 150 zwarte politici, hoogleraren, activisten, kunstenaars en entertainers, onder wie rapper Chuck D, comedian Paul Mooney, zangeres Santigold en politicus Jesse Jackson Jr. Hij ondervroeg ze over veranderingen in de omgang met etnische identiteit, in de decennia vóór het presidentschap van Obama. Ook analyseert hij het effect van ras op zijn eigen leven, en in politiek, media, maatschappij en kunst. Hoewel hij het vaak iets te anekdotisch en particulier aanpakt, maakt de auteur overtuigend voelbaar dat zwart zijn in de moderne Verenigde Staten voor velen een uitputtingsslag is.

Het begrip post-blackness lanceert hij als benaming voor een nieuwe zwarte emancipatiestrijd: het opeisen van het recht individu te zijn. Met een identiteit die wel degelijk zwart is – al is het maar omdat de zwarte Amerikaan op talloze niveaus met zijn huidskleur wordt geconfronteerd – maar die op eigen wijze wordt ingevuld en zo min mogelijk wordt beperkt door collectieve verwachtingen en vooroordelen.

De term post-blackness ontstond in de beeldende kunst als benaming voor het werk van een lichting vrijgevochten kunstenaars die zich ontworstelde aan het drukkende gewicht van de zwarte Amerikaanse geschiedenis. Een voorloper is graffitikunstenaar Jean-Michel Basquiat in de jaren tachtig, recente boegbeelden zijn Kara Walker en Kehinde Wiley. Volgens de auteur voelen deze ‘post-zwarte’ kunstenaars niet langer de noodzaak hun etnische groep te definiëren voor de blanke buitenwacht, omdat zwarte Amerikaanse cultuur inmiddels de lingua franca zou zijn, ‘zoals Starbucks, gesitueerd op elke straathoek in elke grote stad en voor iedereen toegankelijk.’ Dat is voor zowel de koffietent als de cultuur wat overdreven, maar dat een groeiend aantal mensen kennis heeft van zwarte Amerikaanse cultuur is ontegenzeggelijk waar.

Die gewenning zou het de zwarte kunstenaars mogelijk maken nieuwe wegen in te slaan. Met minder ontzag voor etnische wortels en meer complexe analyses en conversaties over ras en identiteit. Kara Walker beeldt in silhouetten groteske slavernij-situaties uit met bijtende ironie en schept met haar karikaturen afstand tot die geschiedenis. Kehinde Wiley wilde als kind bij de poederpruiken in het museum horen, maar herkende zich als zwarte jongen uit South Central, Los Angeles, niet in de heroïsche, antieke Europese schilderkunst. Door als schilder moderne zwarte, streetwise iconen uit te beelden in Europese renaissancestijl vermengt hij twee werelden waartussen een grote kloof bestaat. Zo maakt hij een ‘onzwarte’ kunstvorm onderdeel van de zwarte cultuurgeschiedenis.

Buiten de kunst ziet Touré moderne, zelfbewuste, zwarte Amerikanen als Obama en Oprah Winfrey als representanten van post-blackness. Ze zijn rolmodellen die, zoals socioloog Michael Eric Dyson samenvat in zijn voorwoord, ‘wel zijn geworteld in zwart zijn maar er niet door belemmerd worden.’ Het zijn zwarte Amerikanen die niet zwichten voor het moderne racisme dat Touré beschrijft als veel ondoorzichtiger en moeilijker te bestrijden dan in de tijd van officiële rassenscheiding. Het moderne racisme verwacht volgens de auteur van zwarte kunstenaars en intellectuelen voortdurend dat ze uitleggen hoe ze hun positie bereikt hebben (via ‘resume checks’). Het kan elk moment de kop opsteken (de ‘nigger wake up call’) maar wordt tegelijkertijd vaak ontkend. Illustratief zijn de sprekers die vaststellen dat het meest racistische voorval in hun leven, niet iets benoembaars is. ‘Het is vermoedelijk de mogelijkheid waarvan je niet eens weet dat je die ooit hebt gehad.’

De post-zwarte Amerikaan is geen slachtoffer die in elke hoek, terecht of niet, racisme ontwaart. Hij is ook niet behept met een negatief zwart zelfbeeld, zoals het idee dat zwarte Amerikanen die zich verheffen uit een achterstandspositie, niet ‘zwart’ genoeg zouden zijn. Zwarte Amerikanen dragen volgens Touré het trauma mee van hun voorouders. Hij vergelijkt ze met de kinderen van Holocaust-overlevers. Hij beschrijft hoe zijn vader hem leerde zwarte Amerikanen op straat toe te knikken en hoe wildvreemden hem nadrukkelijk activiteiten afraden die ‘niet zwart’ zouden zijn, zoals parachutespringen, balletvoorstellingen bijwonen en in een antieke Europese stijl schilderen.

De auteur breekt een lans voor een andere visie op zwarte identiteit, waarin een individu zich niet steeds afvraagt hoe zijn acties afstralen op de rest van de gemeenschap en niet als slachtoffer maar als talent kijkt naar een wereld vol mogelijkheden. Obama kon president worden, aldus de auteur, omdat hij zich in ambitie en identiteit net zo vrij voelde als de kunstenaars uit de post- blackness-beweging. Obama groeide op in een blank gezin, waar hij leerde dat ‘the sky the limit’ was.

In Obama’s persoonlijke geschiedenis was de collectieve pijn van de zwarte Amerikaan nauwelijks aanwezig; zijn soepele omgang met en liefde voor blanken waren onmiskenbaar belangrijk voor zijn succes, schrijft Touré. Te vaak zouden zwarte Amerikanen vanwege de geschiedenis het idee hebben dat blanke Amerikanen zich bij hen in de buurt oncomfortabel moeten voelen en dat het haast hun plicht is daar zorg voor te dragen.

Volgens de auteur is om strategische redenen juist een prettige omgang met de blanke meerderheid aan te raden. ‘Hoe meer een zwart persoon de blanken in zijn omgeving comfortabel kan laten voelen, hoe machtiger hij kan worden.’ Maar wel met nadrukkelijk oog voor de eigen gemeenschap. Dat ontbreekt volgens de auteur nog te veel bij president Obama. Zo zou Obama huiverig zijn de armoede aan te pakken, omdat het te veel als een specifiek zwart probleem gezien wordt.

Waar post-blackness in de beeldende kunst bevrijdend werkte, lijkt het politiek een belemmering bij het opkomen voor de problemen van de eigen gemeenschap. De eerste zwarte presidentskandidaat Jesse Jackson, die tijdens de inauguratie van Obama met tranen in zijn ogen het glazen plafond aan diggelen zag gaan, zegt in het boek: ‘Als de prijs voor de crossover-stem is dat we de noden van de basis moeten veronachtzamen, dan is die prijs te hoog.’

Touré: Who’s Afraid of Post-Blackness. What It Means To Be Black Now. Free Press, 251 blz. € 25,-