Iets van binnen was onkwetsbaar

Van de aangrijpende roman Het zevende kruis, een meesterwerk van Anna Seghers over het alledaagse bestaan in nazi-Duitsland vlak voor WO II, is in een nieuwe, uitstekende vertaling verschenen.

German people receiving their daily meal from a kitchen in Berlin, Germany around July 15, 1931. (AP Photo) ASSOCIATED PRESS

Anna Seghers: Het zevende kruis. Oorspr. vert. uit het Duits door Nico Rost. Volledig herzien door Elly Schippers. Van Gennep, 390 blz. € 19,90

‘De belangrijkste roman door een vrouw in het Duits geschreven’, zo oordeelde de criticus Marcel Reich-Ranicki over Das siebte Kreuz van Anna Seghers (1900-1983). Ook als je voorzichtig bent met superlatieven, mag je de inmiddels hoogbejaarde recensent geen ongelijk geven – concurrerende titels uit de laatste halve eeuw van Ingeborg Bachmann, Christa Wolf of desnoods Elfriede Jelinek niet te na gesproken.

Das siebte Kreuz verscheen voor het eerst in 1942 in een Amerikaanse uitgave en werd op slag beroemd. Nog tijdens de oorlog werd de roman in Amerika verfilmd, in 1944 verscheen zelfs een speciale editie voor de geallieerde strijdkrachten. Na WO II werd de roman in vele talen vertaald, in 1947 ook in het Nederlands door Nico Rost; een inmiddels gedateerde en zeker niet foutloze uitgave die kort na Seghers dood in 1983 voor het laatst werd herdrukt. Tientallen jaren was Het zevende kruis dus niet verkrijgbaar in het Nederlands, maar onlangs is in dit hiaat voorzien. Elly Schippers heeft een bijna geheel nieuwe, secure en uitstekend leesbare editie afgeleverd die volledig recht doet aan de stilistische kwaliteiten van dit meesterwerk uit de wereldliteratuur.

Anna Seghers (pseudoniem voor Netty Reiling) werd in 1900 in Mainz geboren als dochter van een rijke joodse kunsthandelaar. Ze studeerde kunstgeschiedenis en promoveerde op een studie over de joden in het werk van Rembrandt. Meteen na Hitlers machtsovername in 1933 vluchtte Seghers, die getrouwd was met een bekende Hongaarse communist, naar Frankrijk en later naar Mexico, waar haar belangrijkste boeken werden geschreven. Na de oorlog keerde Seghers terug naar Duitsland en vestigde zich in Oost-Berlijn, ze werd voorzitster van de socialistische schrijversbond.

Haar latere werk, waarin ze flinke concessies deed aan de partij-ideologie, is van minder niveau dan de vroege romans en verhalen. Naast Het zevende kruis schreef Seghers nog minstens twee andere meesterwerken: de roman Transit (1944), die onder vluchtelingen in Zuid-Frankrijk speelt, en de novelle Ausflug der toten Mädchen (1946) waarin de vertelster door middel van een dagdroom herinneringen ophaalt aan haar klasgenoten vóór WO I en hun latere lotgevallen tijdens de Hitler-dictatuur.

Gestapo

De inhoud van Het zevende kruis kun je in enkele woorden samenvatten. Uit het concentratiekamp Westhofen zijn in de herfst van 1937 zeven gevangenen ontsnapt. Zes van hen worden snel weer opgepakt. Alleen Georg Heisler lukt het om uit handen van de Gestapo te blijven. Hij krijgt hulp van vrienden en onbekenden, die hem vervalste identiteitspapieren bezorgen waarmee hij op de Nederlandse sleepboot ‘Wilhelmine’ kan ontsnappen.

Anna Seghers maakt van dit gegeven een uiterst spannende en vooral aangrijpende roman, die veel laat zien van het alledaagse leven tijdens het Derde Rijk. Centraal staat de vlucht van Georg Heisler, een communistische automonteur die al drie jaar in het kamp zit en een wisse dood tegemoet gaat. Al op een van de eerste bladzijden wordt hij vergeleken met ‘een dier dat de wildernis in rent’. Ook de rest van de roman zal Heisler ‘een dier’ blijven. Gewond, hongerig en oververmoeid, geplaagd door nachtmerries en macabere visioenen, zwerft hij door de steden en dorpen in de omgeving van Mainz en Frankfurt. Om tot rust te komen laat hij zich ’s nachts opsluiten in een domkerk (een van de indrukwekkendste fragmenten van de roman, dat bol staat van de christelijke symbolen). Later slaapt hij bij een prostituee, bij een jeugdvriend, diens tante of bij een chemicus.

Platanen

Gelijktijdig wordt de klopjacht op de vluchtelingen geïntensiveerd. In het kamp heeft de brute commandant Fahrenberg gezworen dat hij iedereen binnen één week zal pakken. Ter afschrikking van de overige gevangenen heeft hij zeven platanen laten vellen en deze van een dwarslat voorzien, waardoor ze op een kruis lijken. Maar het exemplaar dat voor Heisler is bestemd blijft leeg. Het zevende kruis wordt daarmee een symbool van hoop en verzet.

Tot de grote kwaliteiten van Het zevende kruis behoort ook de moderne vertelwijze. Seghers gebruikt perspectiefwisselingen, sprongen in de tijd en innerlijke monologen – ze was in de leer geweest bij prozavernieuwers als John Dos Passos en Alfred Döblin. De roman bestaat uit ruim honderd fragmenten, de verhaaldraden vallen knap samen. Ook het (soms volkse) taalgebruik, de kostelijke dialogen en soms schelmse humor nemen voor deze roman in.

Anna Seghers voert ongeveer dertig personages ten tonele: mede-vluchtelingen van Heisler, vrienden, familieleden, zijn ex-vrouw en schoonvader, de kampbeulen en willekeurige burgers. (Een ‘lijst van personages’ voor in het boek dient als hulpmiddel.) Sommigen spelen een hoofdrol. Zoals Heislers jeugdvriend Franz, een onhandige en verlegen man die zijn kompaan door dik en dun is blijven steunen, ook nadat deze hem zijn mooie vriendin Elli heeft afgesnoept, die later (kortstondig) de echtgenote van Heisler wordt en van hem een kind krijgt. Franz blijft overigens de hele roman smoorverliefd op Elli – tussen de bedrijven door is hier sprake van een formidabele, hoewel ongelukkige liefdesgeschiedenis.

Ook Paul Röder, een andere jeugdvriend van Heisler, speelt een belangrijke rol. Heisler zoekt hem kort na zijn vlucht thuis op en krijgt, ondanks de risico’s die Röder hiermee voor zijn gezin loopt, spontaan onderdak (‘Je kunt hier introuwen’). Later zal Paul Röder nieuwe onderduikadressen zoeken en de hulp voor Heisler coördineren.

Het zijn bijna allemaal eenvoudige, tamelijk ongeletterde figuren die Anna Seghers opvoert: arbeiders, boeren, marktkooplui. Maar Seghers schrijft uiterst fijngevoelig over deze mensen, met een opvallend inlevingsvermogen. Ook de figuren zelf laten vaak een grote empathie zien. Behanger Alfons Eppenheimer bijvoorbeeld, de ex-schoonvader van Heisler, kan zich zelfs verplaatsen in de ruwe inspecteur van de Gestapo, die hem heeft gedagvaard en schoffeert: ‘Op wat voor toon praat hij eigenlijk met me? Wat permitteert hij zich? De jongeman heeft het waarschijnlijk niet getroffen met zijn ouders, ook niet met zijn leraren.’

Uit Het zevende kruis kun je veel leren over de tijd vlak voor WO II; in dit opzicht steekt de roman zelfs Victor Klemperers dagboeken naar de kroon of de romans van de vorig jaar herontdekte Hans Fallada – in literair opzicht overigens verre de mindere van Seghers. Het zevende kruis speelt als gezegd in 1937, toen de nazi’s hun land volledig in de greep hadden. Joodse burgers moeten hun winkels en woningen ontruimen, willekeurige arrestaties vinden plaats, jonge echtparen willen geen kinderen meer omdat ‘die dan later in bruine hemden gestoken zouden worden en tot soldaten gedrild.’ De angst en het onderlinge wantrouwen zijn overal voelbaar, zelfs binnen de familie, want iedereen kan een potentiële verklikker zijn (een broer van Heisler is bij de SA).

Goede kant

In een van de mooiste scènes van de roman wordt dit onderlinge wantrouwen subliem uitgebeeld. De bovengenoemde Paul Schröder gaat op zoek naar mogelijke onderduikadressen voor Heisler en klopt bij een zekere Sauer aan, die vroeger ook aan de goede kant stond. Maar plotseling vraagt hij zich af of Sauer inmiddels niet van politieke richting is veranderd, hij aarzelt en draait om de zaak heen. Sauer op zijn beurt, die nog steeds anti-nazi is, durft ook niets te vragen, al vermoedt hij waarom Schröder hem is komen opzoeken. Beiden nemen al snel weer afscheid zonder ter zake te zijn komen.

Alles in Het zevende kruis is toegespitst op de ontknoping. Als lezer slaak je een zucht van verlichting als Georg Heisler met zijn vervalste papieren Duitsland kan verlaten, en in het concentratiekamp de platanen voorgoed worden omgehakt. De laatste onvergetelijke zin, die ook heel goed als motto had kunnen fungeren, luidt: ‘We voelden allemaal hoe diep en verschrikkelijk uiterlijke machten de mens tot in zijn binnenste kunnen raken, maar we voelden ook dat er in dat binnenste iets school wat onaantastbaar en onkwetsbaar was.’

    • Wil Rouleaux