Het zijn gewoon kwajongens gebleven

Van hoop des vaderlands naar adhd’er. Dat drukke jongens nu psychiatrische diagnoses krijgen, noemt Angela Crott een uitwas van het burgerlijk beschavingsoffensief.

Dat getob met onze jongens! Thuis vaak niet te harden, een hekel aan school, verkeerde vrienden, in de war door hun seksualiteit. Zo was het in 1882, toen het eerste opvoedingsboek over jongens verscheen. En zo is het in 2011. Het grote verschil, zegt Angela Crott, is dat we toen hun „baldadige gedrag” normaal vonden en nu asociaal.

Angela Crott, in 1955 geboren te Sittard, is historicus. Ze heeft de afgelopen jaren alle opvoedingsboeken bestudeerd die er tussen 1882 en 2005 over jongens geschreven zijn. Op het proefschrift dat ze erover schreef, hoopt ze op 21 december te promoveren, aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

In een boek uit 1901 las ze dat de jongen ondanks zijn geëtter en geklier „het meest edele en meest verheven schepsel op de aardbodem” was. In een boek uit 1918 las ze over „de jongen met de maagdenkrans op het edele voorhoofd”. In 1930 heette hij „de erfprins des hemels”. De hele eerste helft van de twintigste eeuw waren jongens sowieso ‘de hoop des vaderlands’.

En nu? Nu zijn jongens stakkers die het met hun lullige zesjes verliezen van de meisjes die wél werken. Autistische sukkels die niet kunnen samenwerken of netjes kunnen com-mu-ni-ce-ren. Druk gedrag, dat is adhd. Pissen in de bosjes en ruiten ingooien is niet meer baldadig, maar crimineel. Angela Crotts conclusie: jongens zijn zoals ze altijd geweest zijn, maar de manier waarop opvoeders naar hen kijken is veranderd.

Zelf is ze de oudste van vier meisjes. Ze ging naar de mms – middelbare meisjesschool – en daarna naar de pedagogische academie. Eigenlijk had ze toen al hbo-geschiedenis willen doen, maar dat durfde ze niet. „Dan moest ik naar Holland, bij mijn moeder weg.” Op de pedagogische academie, in 1972, kreeg ze voor het eerst echt met jongens te maken. De helft van de klas bestond uit jongens – toen nog wel – en ze hadden samen gymles. Dat hoorde zo in die tijd. Angela Crotts „schaamde zich dood”, vooral door het grote verschil tussen hun durf en haar eigen „gehaspel”.

Verlegen was ze, maar toch ook „aangeraakt door het feminisme”. Een meisje uit haar klas ging naar Amsterdam, waar Dolle Mina triomfen vierde. Ze kwam terug met verhalen over slapen op de Dam. „Spannend.” In 1975 werd ze onderwijzeres in Wilnis, tussen Woerden en Amstelveen, en daar kreeg ze met kleine jongetjes te maken. „Ze vielen voortdurend van hun stoel. Páts, daar lag er weer een.” Ze was 20, maar ze zag er jonger uit. Natuurlijk overwicht had ze niet, zeker niet bij de jongens uit de zesde klas. Ongehoorzaam waren ze. Ze vond ze „heel leuk”, maar ook „zwaar vermoeiend”. Ze verbaasde zich. Waarom waren ze zo?

Zelf kreeg ze twee zoons, in 1980 en in 1982. „Bij de tweede vroeg de vroedvrouw of ik het erg vond dat het weer een jongen was.” Nee, maar ze was wel blij dat ze een man met veel overwicht had, want die had ze hard nodig bij de opvoeding. Nu ze haar proefschrift heeft geschreven durft ze het nog wel algemener te zeggen: „Jongens hebben mannen nodig.” Mannen en regels.

In 2004 – negen jaar nadat ze als historicus was afgestudeerd – publiceerde ze haar boek Is mijn zoon een macho?. Ze gebruikte de brieven die ze haar zoons bij hun verjaardagen geschreven had: wat ze gedaan hadden, hoe ze zich hadden ontwikkeld. Ze had geprobeerd hen ‘sekseneutraal’ op te voeden, want dat hoorde toen zo. Mislukt. Kwajongens waren ze, niet bijzonder ijverig op de middelbare school, vechten en ruzie maken, maar als het hun uitkwam ook enorm saamhorig. Angela Crott was allang van het idee af dat het aan haar lag. Alle jongens die ze zag, waren zo. In elk geval als ze onder elkaar waren. Ook de rustige.

In haar proefschrift schrijft ze dat opvoeders jongensgedrag vooral begonnen af te keuren na invoering van de Mammoetwet, in 1968. In 1953 was er ook al eens geschreven over het grote aantal jongens dat bleef zitten of voortijdig de school verliet, maar het werd niet als een groot probleem gezien. Gingen ze toch gewoon werken? Dan maar geen diploma. Met de Mammoetwet verdwenen de ambachtsschool en de driejarige hbs. Iedereen moest langer naar school en er kwam heel veel theorie bij, ook voor de jongens die loodgieter of automonteur wilden worden.

„Jongens van 14, 15 worden daar balorig van”, zegt Angela Crott. „Ze willen een man zijn, iets betekenen, de wereld veroveren. Maar ze moeten stilzitten en van alles leren dat hen niet interesseert.” Dat is erger geworden, zegt ze, sinds de invoering van de tweede fase in het middelbaar onderwijs. Samen werkstukken maken. Presentaties geven. Portfolio’s aanleggen. „Allemaal dingen waar jongens minder goed in zijn dan meisjes.”

Dat veel meer mensen dan vroeger in de stad wonen, heeft er ook geen goed aan gedaan. Slootje springen? Nesten leeghalen? Rondhangen op straat! En iedereen ergert zich aan hen.

Hoogmoed en baldadigheid – dat zijn volgens haar universele jongenseigenschappen. Hoogmoed: denken dat ze de beste zijn. Baldadigheid: grenzen verkennen. In de jaren tachtig, schrijft Angela Crott, werden jongens onder invloed van het feminisme ‘seksuele agressors’ genoemd. Ze vielen meisjes lastig en dat moest hun worden afgeleerd. Jongens en meisjes waren bij hun geboorte gelijk, en als er toch verschillen bleken te zijn, kwam dat door een verkeerde opvoeding. Nu worden de verschillen bij de geboorte wel weer onderkend, maar moeten jongens, als ze op school succes willen hebben, zich gedragen als meisjes.

Aan het eind van haar proefschrift vraagt Angela Crott zich af of de „mannelijke onderdrukker” inmiddels niet is vervangen voor een „vrouwelijke onderdrukker”. Mannen wilden een „mevrouw op straat, meid in huis en hoer in ’t bed”. Vrouwen eisen een „hoogopgeleide heer op straat, een begripvolle knecht in huis en een fantasievolle Don Juan in bed”. En het wil maar niet lukken.

Wat nu? Terug naar de tijd dat vrouwen niets konden en mochten?

„Dat is het punt”, zegt Angela Crott. „Dat willen we natuurlijk ook niet.”

Dus?

„Meer begrip hebben voor jongens. Dat zou al een hele verbetering zijn. Aparte klassen op school, zodat ze niet zo stoer hoeven te doen en de hele tijd door hun hormonen worden afgeleid.”

En ze niet te snel adhd’er noemen?

„Dat zeker niet. Het diagnosticeren van drukke jongens als adhd’er is een uitwas van het burgerlijk beschavingsoffensief dat in de negentiende eeuw begonnen is. Ik weet dat ik provoceer, maar dat is een van mijn stellingen.”

    • Jannetje Koelewijn