Het is weer crisis. En daarom zijn we bang voor techniek

Cartoon uit de Ogden Standard-Examiner of Utah, 23 oktober 1932

Het idee dat technologische innovaties arbeidsmarkten om zeep helpen, leefde zeer in de jaren dertig van de Grote Depressie. In 1932 ging zelfs een Frankenstein-achtig gerucht dat een robot zijn uitvinder had neergeschoten. Ondertussen betoogde een muzikantencollectief dat opgenomen muziek het einde inluidt van de kunsten.

Het is daarom niet verwonderlijk, zo betoogt Matt Novak, dat soortgelijke verhalen ook in de huidige crisis de ronde doen. Naast het zichtbare verlies van banen in de postindustrie, de reisbranche en de kaartjesverstrekkende sector, groeit de afkeer van een samenleving gedomineerd door software.

Novak is gespecialiseerd in hoe techniek de samenleving beïnvloedt, maar hecht op Slate.com toch meer waarde aan een menselijke verklaring voor het verzet. Zodra de werkloosheid stijgt, wijzen we naar de usual suspects: de politici, de rijken, de immigranten en - niet in de laatste plaats - de techniek. Zodra onze economische bestaanszekerheid wegvalt, vallen we terug op intrinsieke waarden en willen we weer de controle over primaire zaken terug. Techniek is dan een voorspelbare zondebok.

Orwelliaanse nachtmerrie in gerobotiseerde samenleving
Socioloog Sherry Turkle gaf in haar laatste boek Alone Together (Basic Books, januari 2011) sociale media zelfs de schuld van gedragsstoornissen bij kinderen. “We verwachten meer van technologie en minder van elkaar”, aldus Turkle. In haar praktijk ontving ze tieners die geen telefoontje meer durven plegen, omdat ze zich liever verschuilen achter emoticons in sms-berichten. Ondertussen groeit de privacykritiek op Facebook. Filosoof Hans Schnitzler waarschuwde in oktober voor het privaat verwijlen van de publieke ruimte. Niemand kan de deur meer achter zich dichtslaan, want men verwacht dat je altijd online bent. Het privédomein zou de kwetsbare, breekbare enkeling - die wij allen op sommige momenten zijn - geen bescherming meer bieden. Ook de gretigheid waarmee de overheid zich op ICT stort, baarde zorgen. Het Elektronisch Patiënten Dossier is onlangs gesneuveld omdat velen de gegevensuitwisselaar zien als een Orwelliaanse nachtmerrie. De politieke invoerders van de ov-chipkaart werden tegengewerkt met vergelijkbare doembeelden.

Matt Novak brengt in herinnering dat de kritiek op techniek tijdens de Grote Depressie ook alle kanten uitwaaierde. Niet alleen de baan, maar ook het bestaan zou ermee in gevaar komen. De jaren-30-krantenknipsels die hij verzamelde zeggen alles: ‘Is Man Doomed by Machine Age?’, ‘Is The Robot Fooling You?’, ‘When Wars are Fought With Robot Soldiers’, ‘Shot by the Monster of His Own Creation’, ‘Menace to Civilization, from Misuse of Science’. In een cartoon uit 1939 vergrijpt een robot zich aan een vrouwelijke bediende. Een andere, uit hetzelfde jaar, suggereert dat robots zichzelf kunnen voortplanten. Dit wordt het einde van de mens, schreeuwde men tijdens die economische crisis van de daken.

Computer kan ooit artsen en advocaten vervangen
Deze sentimenten gaan nog veel verder terug. In het Engeland van 1811 vernielden textielarbeiders gemechaniseerde weefgetouwen. Zij stelden dat de Industriële Revolutie banen vernietigt en weinig nieuwe creëert. The Luddites, zo heette de protestbeweging, zijn in de afgelopen twee eeuwen veelvuldig geridiculiseerd. Een gangbare theorie in de economie is namelijk dat arbeidsbesparende technologie bevorderlijk is voor de productie per werknemer, de kosten drukt en de vraag naar goederen verhoogt - en uiteindelijk dus niet ten koste gaat van banen. “Als The Luddites gelijk hadden”, zo weerlegde econoom Alex Tabarrok eens de theorie, “dan zouden we nu, gezien de gestegen productie, allemaal zonder werk zitten.” Kortom: techniek verandert weliswaar de manier van leven, maar bedreigt het niet.

Toch is de menselijke reflex om technologische innovaties dystopische krachten toe te dichten onuitroeibaar. “Zullen robots onze baan stelen”, kopte technologieredacteur Farhad Manjoo onlangs nog boven een essay. Hij doelde niet zozeer op secretaresses, fabrieksarbeiders of postbodes. Dat soort banen heeft hij al opgegeven. Nee, Manjoo bezorgde advocaten, artsen, apothekers en wetenschappers de schrik van hun leven. “Op dit moment traint er iemand om jouw baan over te nemen”, schreef de journalist. “Hij is misschien niet zo slim als jij, maar ook niet heel dom. Wat hij mist aan intelligentie, maakt hij goed met gedrevenheid, betrouwbaarheid, consistentie en prijs. Hij is bereid langer te werken, doet dat nauwkeuriger, heeft geen salaris nodig en eist geen pensioen of uitkering tijdens ziekte. Ook gaat hij niet naar huis als de vijf in de klok zit.”

Leergierig is die banenpikker ook, vervolgde Manjoo. “Op dit moment kan hij slechts een fractie van wat jij kan, maar hij is een onvermoeibare leerling. Voordat je het weet is hij net zo goed als jou, en snel daarna zal hij je overtreffen.” Het is duidelijk dat Manjoo het hier niet over een mens heeft. “Ik refereer aan een robotwerknemer of een stukje gezichtsloze software dat draait op een server.”

Allemaal hysterie. We lachen nu om waanbeelden van jaren dertig
Manjoo heeft hard gestudeerd op artificiële intelligentie en automatisering. En trekt uit die leergang de conclusie dat machines het komende decennium doordringen in delen van de economie waarvan we dachten dat mensen er onmisbaar waren. “Het diagnosticeren van ziekten, het toedienen van medicijnen, het voeren van juridische processen, wetenschappelijke ontdekkingen, zelfs het schrijven van een verhaal als dit.” Weliswaar gelooft Manjo in de economische theorie dat technologie de prijs drukt en daarom de samenleving als geheel ten goede komt, maar er is volgens hem ook een donkere kant. Zeker nu het gaat om banen waarvoor mensen jarenlang in de collegebanken hebben gezeten. “Wat doe je als een machine je 400-dollar-per-uur-werk sneller kan, tegen een fractie van de kosten?”

The Luddites hadden het wel geweten. Zoals zij tachtig jaar geleden de gemechaniseerde weefgetouwen kapot maakten, zouden zij nu computers het raam uitgooien. Nu is de keuze lastiger: wie computers boycot kan zelfs naar de simpelste baantjes fluiten. Ook de vakkenvuller kan niet meer zonder.

Manjoo’s tegenpool, Matt Novak, moet daarom niets van die “hysterie over robots” hebben. We lachen nu om de spookbeelden uit de jaren dertig, argumenteert hij. Het is volgens hem allemaal een kwestie van ontwikkeling, van emancipatie. Grotbewoners waren bezorgd over de corrumperende invloed van het wiel, schertst hij. En hun nageslacht vreesde ongetwijfeld dat het schrift het geheugen aan zou tasten. “Maar techniek is in feite slechts een uitbreiding van onze menselijkheid.” Het wiel, het boek, het internet: dit alles heeft ons verder gebracht, stelt Novak. “Uw beleving, of dit goed of slecht is, hangt waarschijnlijk af van uw economische situatie op dit moment.”

Techniek symboliseert alles waar we geen grip op hebben
Helemaal van deze tijd is het boek The Fear Index (Hutchinson, september 2011), een financiële thriller van Robert Harris. De hoofdpersoon, een steenrijke natuurkundige, meent het algoritme te hebben voor een computerprogramma dat zelfstandig op de beurs kan handelen. VIXAL-4 anticipeert op angsten en zorgt dat de beheerder, in dit geval die steenrijke natuurkundige Alexander Hoffmann, altijd wint en nog veel en veel rijker zal worden, of zelfs de hele economie naar zijn hand zal kunnen zetten. De Frankenstein van de economie - een idee dat raakt aan de frustratie die miljoenen burgers momenteel hebben over het financiële echelon dat ons een kat in de zak verkocht, de crisis injoeg. Techniek symboliseert vandaag, net als in de jaren dertig, alles waar we geen grip op denken te hebben.

Het is daarom niet verwonderlijk dat Occupy, de beweging die zich keerde tegen banken en machtige bedrijven, zich afficheert met intrinsieke waarden zoals gemeenschapsgevoel, autonomie, eerlijkheid en trouw. De 99 procent, zoals ze zichzelf noemt, keerde zich tegen de samenzwering van de 1 procent: het grootkapitaal dat aan de knoppen zit, financiële producten verkocht die niemand begreep.

In Harris’ roman komt dit allemaal - het verlangen naar zelfbeschikking, de afkeer van kapitalistische onderdrukking, de angst voor onbekende technologie - samen. Boven de hoofdstukken citeert Harris niet alleen Charles Darwin (The Origin of Species), maar ook Mary Shelley’s Frankenstein. “Leer van mijn voorbeeld”, schreef Shelley in 1818, “hoe gevaarlijk het verwerven van kennis is. En besef dat de mens die gelooft dat zijn geboortestad de wereld is, gelukkiger is dan degene die ernaar streeft groter te worden dan de natuur toestaat.”

Eerder in deze serie:
Vechten zonder risico, bloedbad in pixels. Film en debat over drones
Facebook sloopt vrije samenleving. Gemeenschap breekt uiteen in enkelingen
Twitter maakt de mens tot emotioneel wrak
Occupy is iedereen. Sommigen zullen de eersten zijn, anderen de laatsten
Telecomwaakhond: smartphone-gebruikers hebben lak aan etiquette
Internetgeneratie ondermijnt traditionele bedrijfscultuur
Wijzig uw koers, Occupy. Pak de adverteerder, verwekker van de hedonist
Op een dag word je wakker. In de gevangenis die samenleving heet
Democratie en kapitalisme gaan scheiden. Ontferm je over kind Occupy
Raketten afvuren vanaf kantoor. Drones maken oorlogen minder vuil
Paus waarschuwt voor vervreemding op sociale media
Internet na Anders Breivik. Wie zijn mening uit, moet privacy opgeven
Zo zet een dictator het internet uit
Computer versloeg Kasparov met schaken. Volgende uitdaging: chefkok Jamie Oliver
Wees niet bang. De samenleving is veiliger dan ooit
Breng die digitale kanonnen eens in stelling
Vandaag DigiD, morgen Schiphol. Digitaal gevaar is operationeel gevaar

    • Steven de Jong