Harlem is ons land dat we niet bezitten

Sharifa Rhodes-Pitts: Harlem is Nowhere. A Journey To The Mecca Of Black America. Little Brown, 296 blz. €23,75

Jonathan Gill: Harlem. Grove Press, 520 blz. €30,-

In 1925, aan het begin van de Harlem Renaissance, had schrijver, politicus en activist James Weldon Johnson een ontnuchterend visioen. Terwijl de spirituele hoofdstad van Zwart-Amerika het decor vormde van de opkomst van een cultureel zelfbewustzijn, vroeg Johnson zich af of ‘de negers in staat zullen blijken Harlem te behouden’. Om zich vervolgens aan een voorspelling te wagen: ‘Als kleurlingen Harlem verlaten [...], dan zal het zijn om een reden zonder precedent: omdat de grond zo duur is geworden dat ze het zich niet meer kunnen veroorloven er te wonen.’

Johnsons voorspelling is uitgekomen. Na de dramatische verloedering van Harlem in de jaren zeventig en tachtig, is er op grote schaal geïnvesteerd in het gebied tussen Central Park, 110th Street, Morningside Heights en de East en Harlem River. Een herenhuis, dat in 1993 minder dan 300.000 dollar kostte, ging in 2006 voor een kleine vier miljoen van de hand. Inmiddels heeft Bill Clinton een kantoor aan 125th Street en zijn dichtgetimmerde panden veranderd in trendy winkels. Een goede zaak of ‘hedendaagse kolonisatie’?

In twee zeer uiteenlopende boeken over de volkswijk komt deze vraag aan de orde. De in Amsterdam woonachtige historicus Jonathan Gill schreef Harlem, een studieus overzicht van de ontwikkeling die de wijk doormaakte sinds haar begin als Nederlands dorpje Nieuw-Haarlem. Schrijfster Sharifa Rhodes-Pitts’ Harlem is Nowhere: A Journey to the Mecca of Black America is een persoonlijker boek over de betekenis die Harlem heeft gehad sinds het begin van de Harlem Renaissance. Terwijl Gill spreekt van een ‘wederopstanding uit de dood’, ziet Rhodes-Pitts juist een aanval op de locale gemeenschap. Standpunten die niet los kunnen worden gezien van de beroepsmatige én etnische achtergronden van beide auteurs.

Gentrification, zoals de verandering van een arme in een dure wijk heet, is een universeel proces – in Amsterdam zijn de Jordaan en De Pijp goede voorbeelden. Harlem neemt echter een bijzondere positie in. In de eerste helft van de 20ste eeuw was het een vluchtheuvel binnen een gesegregeerd en diep-racistisch land. Lang voor de iconische momenten van de civil rights movement – Rosa Parks, Martin Luther Kings ‘I have a dream’, Brown versus Board of Education – ontstond in Harlem een zelfbewustzijn waar niet alleen Afro-Amerikanen van geprofiteerd hebben. De wijk gaf de wereld dichters en schrijvers als Langston Hughes, Richard Wright, Zora Neale Hurston en Ralph Ellison. Ze gaf ons de altaren van de jazzmuziek en de swagger van Sugar Ray Robinson, de beste bokser aller tijden.

Gill voert ons langs de rijke, opmerkelijk diverse geschiedenis van het gebied, te beginnen bij het moment dat Henry Hudson het oog liet vallen op het eiland Manhattan. Lange tijd was uptown, zoals veel New Yorkers Harlem noemen, niet meer dan een kleine Nederlandse boerengemeenschap. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw werd Harlem een grootstedelijke thuishaven voor minderheden. Eerst waren er de Ieren, Italianen en Joden, onder wie showbizz-grootheden als de Marx Brothers, Rodgers & Hart, de Gershwins en theatertycoon Oscar Hammerstein. Zij groeiden op in een tijd van bendeoorlogen, van speculatie, bouwwoede en grootschalige corruptie. Omstreeks de Eerste Wereldoorlog verschoot Harlem van kleur. Door de komst van zwarten vertrokken de blanken. Met de gentrification is daar nu pas verandering in gekomen.

Sharifa Rhodes-Pitts kwam, zoals zovelen, van elders naar Harlem. Ze kijkt niet, zoals Gill, met wetenschappelijke distantie naar de mythe, maar wil er door worden opgenomen. Haar eerste impressies echoën die uit Ralph Ellisons klassieke roman Invisible Man (1952). Wanneer Ellisons verteller uit de metro bij Lenox Avenue komt, is hij overdonderd. ‘Dit was werkelijk Harlem, en alle verhalen die ik gehoord had over de stad-binnen-een- stad kwamen tot leven in mijn hoofd... Dit was niet een stad van werkelijkheden maar van dromen.’

In dit citaat schuilt de dichotomie van Harlem: tegelijk thuis en getto, een plek van zelfverwezenlijking die is geboren uit uitsluiting. Harlem is bovenal een imaginaire locatie in het zwarte bewustzijn. Dat imaginaire Harlem is misschien wel belangrijker geweest dan het fysieke.

Uiteindelijk gaat het om die zelfdefinitie. Harlem is Nowhere ontleent zijn titel aan het gelijknamige essay van Ellison, waarin hij schrijft: ‘De Amerikaanse neger, niet echt een burger en toch Amerikaan, [...] is wanhopig op zoek naar een identiteit. [...] Zijn hele leven is een zoektocht naar de antwoorden op vragen als: wie ben ik, wat ben ik en waar? Treffend is de reactie die in Harlem gebruikelijk is op de vraag ‘Hoe gaat het?’ ‘O, man, ik ben nergens’ – een frase die een houding verraadt die zo gemeengoed is geworden dat hij is teruggebracht tot een gebaar, een ogenschijnlijk triviaal woord.’

Een van de interessante figuren waarin Rhodes-Pitts zich verdiept is de boekverzamelaar Arthur Schomburg. Schomburgs uitgebreide collectie legde de basis voor het Center for Research in Black Culture, gevestigd in Harlems openbare bibliotheek. De schrijfster is getroffen door diens les: ‘De Amerikaanse neger moet zijn geschiedenis herscheppen om een toekomst te hebben. [...] De geschiedenis moet herstellen wat slavernij heeft weggenomen.’

Gelukkig heeft ze ook de woorden van buurtgenoot Julius Bobby Nelson ter harte genomen: ‘Watch the walking, not the dead.’ Terwijl Gill ons overvoert met namen en feiten, roept Rhodes-Pitts de ziel op die de feiten leven schenkt. We zien Harlem door haar ogen, maar ook door die van onbekende Harlemites als Miss Minnie of graffiti-predikant The Messenger.

Rhodes-Pitts belandde in Harlem op het hoogtepunt van het verzet tegen gentrification, een verzet waaraan ze zelf deelneemt. Haar boek gaat, logischerwijs, dieper in op het proces dan Gill kan in zijn veelomvattende geschiedenis. De woorden van Malcolm X indachtig – ‘land is the basis of all independence’ – legt Rhodes- Pitts de vinger op de zere plek: ‘Dit is ons land dat we niet bezitten.’ Nergens is het percentage huiseigenaren zo laag. Daarom zal de transformatie van Harlem niet te stoppen zijn, alle protesten ten spijt.

Maar moet die transformatie wel gestopt worden? Gill lijkt niet erg onder de indruk van de gevolgen die gentrification heeft op de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Mogelijk omdat hij, als historicus, een breder perspectief heeft. Was Harlem niet op enig moment van de Nederlanders, de Duitsers, de Italianen en Joden? Bovendien: de romantiek van zwart Harlem kende een grimmige keerzijde: overbevolking, armoede, hoge kindersterfte.

En in hoeverre is een zwart bastion nog nodig in een postraciaal tijdperk waarin New York een donkere burgemeester (David Dinkins) kende, en het land inmiddels een (half) Afro-Amerikaanse president heeft? Rhodes-Pitts weet waarom. Want wie profiteren er van de verbeterde omstandigheden? Niet zij die zich een leven in de oude wijk niet meer kunnen veroorloven kunnen en weggepest worden door in gebreke blijvende pandjesbazen, die weten dat er straks meer te verdienen valt.

Harlem heeft zich in de Renaissance ontwikkeld tot een cultureel anker, een essentieel onderdeel van de identiteit van een achtergestelde groep. Dát Harlem heeft veel meer betekenis gehad dan het Harlem van de Nederlanders, Duitsers, Italianen en joden.

De vraag of de huidige, door marktmechanismen gedreven gentrification van Harlem goed is, hangt samen met de vraag of de emancipatie van Afro-Amerikanen ver genoeg gevorderd is om zonder dat historische anker te kunnen. Hoewel er duidelijke vooruitgang is, staan alle sociale en economische indicatoren op negatief. Investeren in een achterstandswijk is uitstekend, maar het is te vroeg om het Mekka van zwart Amerika over te dragen aan de machinaties van ontwikkelaars. Die zijn niet blind voor de kleur van geld. En geld is nog altijd overwegend wit.

    • Auke Hulst