Frankie dreigde, maar de wijkagent ging ook te ver

Wie: Frankie V. (21)

Waar: Rechtbank Utrecht

Staat terecht voor: zich verzetten tegen aanhouding, het bedreigen en beledigen van een agent

De meeste verdachten zitten voor hun zitting stilletjes naast hun advocaat in de hal, terwijl die ze bijpraat over de gang van zaken, straks in de rechtszaal. Eenmaal tegenover de rechter is het moeilijk voorstelbaar dat de verdachten het delict hebben gepleegd waarvan ze worden verdacht – zo timide en beleefd stellen de meesten zich op.

De 21-jarige Frankie V. heeft een andere uitstraling. Hij draagt een groot, gewatteerd jack en glimmende, zilverkleurige gympen. Zijn haar zit in een brede, lage hanekam. Voor zijn zitting bij de politierechter loopt hij door de hal met een uitdagende blik. Hij spuugt er nog net niet bij op de grond. En, zo Nederlands als hij is, hij heeft zich een Marokkaans straataccent aangemeten.

Frankie móét wel in zijn rol blijven, want er zijn negen vrienden en vriendinnen meegekomen naar de zitting. Ze gaan op de achterste rij zitten. Dichterbij hem, in het midden van de zaal, zit zijn vriendin, met lange blonde haren, nagellak en matching lippenstift, jeugdpuistjes op haar voorhoofd.

Frankie is 21 en heeft al een uitgebreid strafblad, waar vooral diefstal op staat. Vandaag komt hij voor iets anders bij de politierechter in Utrecht. In de zomer heeft hij een agent beledigd en bedreigd en zich verzet tegen aanhouding. Als de officier de tenlastelegging voorleest, luistert Frankie, achterover geleund, kauwgom kauwend, met zijn armen over elkaar en zijn benen wijd.

Op 8 juli krijgen agenten in het dorp waar hij woont een melding over een scooter die zonder kenteken rondrijdt. Als ze gaan zoeken, treffen ze Frankie, die ze wel kennen, bij het huis van zijn zus. Hij wil niet dat ze er in de schuur kijken, waar zijn scooter staat. Er ontstaat een woordenwisseling, er wordt geduwd. Tegen een wijkagent die „al jaren de pik op hem heeft”, zegt Frankie: „Hou je tyfusbek.” Hij zou ook hebben gedreigd zijn vader erbij te roepen; Frankies vader heeft een zekere reputatie. De officier concludeert in ieder geval dat de agent zich „hierdoor bedreigd mocht voelen”. Frankie zegt ook tegen één van de agenten: „Ik weet waar je woont.”

Maar dan gaat de wijkagent zijn boekje te buiten. Hij dreigt dat hij nog wel eens zijn ‘magazijn zal leegschieten’ op Frankie. Dát, vindt de officier, „kán ook echt niet.” Tegelijkertijd vindt zij het goed dat de wijkagent dit zelf heeft opgenomen in het proces-verbaal. „Anders zou de indruk gewekt worden dat zoiets onder het tapijt geveegd wordt.”

Het Openbaar Ministerie eist standaard hogere straffen als niet een gewone burger is belaagd, maar een dienstverlener met een publieke taak. Maar in dit geval vindt de officier, moet het gedrag van de agent in het voordeel van Frankie uitpakken. Ze eist 50 uur werkstraf, te vervangen door 25 dagen zitten en twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar.

Als politierechter Koster vraagt of Frankie nog iets wil zeggen voordat hij zijn straf te horen krijgt, zegt hij: „Ik hoop dat u de goede beslissing neemt.” Koster: „Ik doe mijn best.”

Hij legt Frankie 80 uur werkstraf op, waarvan 40 uur voorwaardelijk. Die straf is lager dan hij normaal zou hebben opgelegd, legt Koster uit, omdat hij het optreden van de agent „op zijn minst genomen niet professioneel” vindt en „in ieder geval hoogst niet passend”.

Als Frankie zijn straf hoort, gooit hij zijn hoofd naar achteren alsof hij een klap krijgt. Hij schuift zijn stoel naar achteren en loopt zonder iets te zeggen de zaal uit.

Merel Thie