Eens verlaten, maar wel altijd met glans alleen

Sylvester Hoogmoed: We zien wel! Het wonderlijke leven van Ramses Shaffy. Prometheus, €18,95

Bestaat er ook maar één Nederlandse artiest die een mooiere stamboom heeft dan Ramses Shaffy? Dat kan haast niet. Shaffy’s vader was de Egyptische consul in Parijs (in de geboorteakte vermeld als Ramsès Chaffy) en zijn moeder, Alexandra de Wysocka, was afkomstig uit de destijds Oostenrijks-Hongaarse stad Lemberg, die later Pools werd en nu in Oekraïne ligt. Zelf ging ze ook nog prat op enig Russisch bloed in de aderen, maar dat staat niet vast. In elk geval gingen ze al snel uit elkaar, waarna hun zoontje op zijn zesde, in 1939, op de trein naar Nederland werd gezet om bij een tante in Utrecht te gaan wonen. Toen tante ziek werd, belandde de kleine Shaffy eerst in een kindertehuis en ten slotte bij een hartelijk pleeggezin in Leiden, waar hij opgroeide onder de naam Didi Snellen. ‘Didi genoot en sprong de hele avond van plezier de kamer door’, schreef moeder Snellen na het Sinterklaasfeest van 1941 in haar dagboek.

Kortom: romantiseren hoeft niet meer, de kale feiten zijn al exotisch genoeg. Als voor iemand het doorgaans als compliment gebruikte predicaat ‘on-Nederlands’ opgaat, is het voor Ramses Shaffy. En hij bleef zich ook zijn leven lang naar die eretitel gedragen – als charismatisch toneelspeler en troubadour, zingend en zuipend.

In zijn onlangs verschenen Shaffy-biografie We zien wel! is het de journalist Sylvester Hoogmoed gelukt ’s mans leven en werken compact en competent te beschrijven zonder zelf mee te gaan in de mateloze hectiek van zijn onderwerp – zoals Bas Steman in diens geëxalteerde Ramses Shaffy, naakt in de orkaan uit 2003. Mede op basis van tientallen ooggetuigeverhalen en zorgvuldig archiefonderzoek beschrijft Hoogmoed in feitelijke stijl wat zich in dat leven allemaal heeft voorgedaan. Onkritisch is hij niet. Het boek wemelt van de passages waarin blijkt dat Shaffy weinig rekening hield met anderen. ‘Het ging altijd wel heel erg over hem’, zegt vriendin Merel Laseur. ‘Hij leefde in een droomwereld en alles wat daar niet in paste werd eruit gedonderd’, beaamt de schrijver Steven Membrecht die een lange liefdesrelatie met Shaffy onderhield.

Aan een pakkende karakteristiek van Shaffy’s werk komt de biograaf echter niet toe. Dat laat hij over aan de recensies waaruit hij citeert. En ook weet hij niet altijd te vermijden dat het verhaal – vooral als het over het laatste decennium gaat – uitmondt in een opsomming van optredens. Zo hoeven we echt niet de complete lijst te lezen van alle radio- en tv-programma’s waarin de zanger optrad om promotie te maken voor een nieuwe cd.

Het boek is op zijn best als het beschrijft hoe Shaffy’s leven met zijn werk was verweven, en hoe geen enkele liefde stand kon houden. Al in het begin, als het over de goede zorgen van de familie Snellen gaat, citeert Hoogmoed uit een veel later radio-interview met Shaffy: ‘Je bent vanaf het moment dat je verlaten bent zelfstandig. Daar helpt geen lieve vader of moeder aan. Je bent moeilijk tegenover het accepteren van liefde en ik kan je wel vertellen, ik ben altijd moeilijk gebleven ten aanzien van het accepteren van liefde.’

Ramses Shaffy, die al op de Amsterdamse Toneelschool weer zijn ware naam ging gebruiken, stierf twee jaar geleden. De laatste jaren van zijn leven koesterde hij zich volgens Hoogmoed in de status van ‘levende legende, levenskunstenaar bij uitstek, bohémien par excellence, troetelalcoholist, nationaal cultureel erfgoed.’ Dat beeld wordt hier gedegen genuanceerd.