Een labyrint van jewelste

Eva GERLACH,auteur. photo VINCENT MENTZEL /NRCH. ==F/C==Amsterdam ,jan.21,2003. ©Vincent Mentzel 2003

Eva Gerlach: Kluwen. De Arbeiderspers, 101 blz. € 18,95

Een Griekse mythe verhaalt hoe de Atheense koningszoon Theseus naar Kreta ging om de Minotaurus te doden. De Kretenzische koning Minos hield dit monster, half-mens half-stier, in een doolhof verborgen. De ingang van dat labyrint was makkelijk te vinden, maar de uitgang niet. Om Theseus toch de uitweg te bieden gaf Minos’ dochter Ariadne hem een kluwen mee. Door die in de doolhof af te wikkelen kon Theseus na het ombrengen van de Minotaurus zijn weg naar de wereld weer vinden.

De titel van Eva Gerlachs nieuwe dichtbundel ten spijt, krijgt haar lezer zo’n bol draad niet mee. Dat is jammer, maar ook spannend, want Kluwen is een labyrint van jewelste. Ook voor Gerlach zelf blijkbaar, want regel na regel zoekt ze zich in de bundel een uitweg naar verheldering van wat haar omringt. De omgeving is vaak vol dreiging, die soms ook woorden krijgt, zoals in het gedicht ‘Verhaal’.

Er is de weg en er is het

oplossen van de weg. Er is schrik

en de verwachting van schrik. Door te vertellen

en aan te horen zie je de richting, er is

rechtuit en er is het wringen

van andersom en terug. Er is het verhaal,

er is de weg en er is het

oplopen van de weg en ergens zit iemand

die zegt ‘je tong voordat je verder mag’.

Eva Gerlach lijkt een dichter die niet van tevoren bedenkt wat ze op zal schrijven. Het schrijven zelf is het denken. In ‘Bed’ formuleert ze hoe vanzelfsprekend dat gaat. ‘Zomaar zing ik iets,’stelt ze, ‘zonder dat ik het merk, een lied dat niet / bedacht wordt maar bestaat, ik weet van niks, / ik merk dat ik het zing terwijl ik fiets, / een trap afloop, blad hark, ik weet // niet wat ik zing tot het gezongen is.’

Kluwen is Gerlachs zeventiende bundel, maar haar poëzie is nog even fris en tastend als haar vroegere werk. Het lijkt alsof ze in elk gedicht het métier opnieuw uit wil vinden, en als lezer ontdek ik mee. Dat kost inspanning, want de bronnen en de context van haar verzen zijn bij eerste lezing vaak cryptisch. Dit geldt vooral waar Gerlach haar relatie met anderen omschrijft. Het is verleidelijk om dan verband te zoeken met de werkelijkheid. Is de oude vrouw die meedogenloos liefdevol in de cyclus ‘Stapvoets’ wordt beschreven Gerlachs eigen moeder? En verwoordt ze in de reeks ‘Tumbleweed’ de moeizame relatie met haar vader?

Zulke vragen zijn ongepast. Dichters liegen immers de waarheid; hun werkelijkheid is dus steevast verhuld. Of zoals Gerlach het zelf in ‘Stapvoets’ stelt: ‘herinnering is niks hoe helder ook.’ En elders zegt ze in het motto van een reeks: ‘niets is zichzelf en wat dan nog’. Dat moet maar zo blijven, denk ik. Ook zonder elk woord en elk beeld te fixeren is het volop genieten in Kluwen.

Dat je bij het lezen van haar poëzie soms puzzelen moet is vooral een gevolg van haar formulering. Gerlach is een grootmeester in het raccourci, het kunstmatig verkorten van zinsbouw en mededeling. Die verkorting bepaalt het ritme van haar verzen en versterkt het raadselachtige karakter ervan. Een beeldend voorbeeld daarvan is het slotvers van de cyclus ‘Stof’.

Hazen hier ’s ochtends, drie

achter elkaar in het veld

lucht op sloot over koeienpoten langs

vacht onder vacht nek om nek oor uit oor

gestrekt de hoge halve hoepel van

het langstedaglicht door.

De ene plek de plek ernaast ervoor

Je lichaam in je lichaam alle tijd

dat je stilstaat en kijkt

hoe alles is zoals het is en hier –

De scherpe bochten achteloze sprongen

niks wordt geopenbaard

waar ze bestaan bestaan ze haar voor haar.

Ook het weglaten van leestekens – komma’s vooral – draagt bij tot het haastige haasbeeld. Gerlach kan prachtig kijken en haar beelden krachtig overdragen, al lijkt ze zelf onzeker over het nut van die kwaliteit. ‘Al het zien zien zien, waar is het goed voor,’ dicht ze in ‘Draad’. ‘Wat is er dat ik zie dat ik niet weet, / wat ik niet zie vul ik in, ik merk geen verschil.’

Vertwijfeling als credo. Daarmee zitten we weer volop in het labyrint, waarin Eva Gerlach zich overigens al in 2000 in Solstitium begaf. Het labyrint, meldde ze daar, ‘waarin we naar het midden lopen/ of we willen of niet ogen wijdopen’. Voor in Kluwen citeert ze die regels als motto bij de mededeling dat deze bundel het eerste deel van een drieluik in poëzie en proza is. Dat maakt nieuwsgierig naar meer. Vooralsnog lijkt Kluwen mij veruit de beste bundel van 2011, en daarmee ook een hoogtepunt in het oeuvre van Gerlach.

    • Arie van den Berg