De hoogmis van de nostalgie

Wetenschappers laten in De muziek zegt alles hun licht schijnen over de populaire muzieklijst Top 2000. Een brij van wetenschappelijke onzin, open deuren en enkele ‘funfacts’ is het resultaat.

In this June 14, 1974 file photo, Swedish pop group ABBA, Bjorn Ulvaeus, back left, Benny Andersson, back right, Agnetha Faltskog, front left, and Anni-Frid Lyngstad are shown. (AP Photo, file) AP

Nostalgie is niet meer wat ze geweest is, beweerde Simone Signoret. Maar ze had ongelijk, zo weet een ieder die in de laatste week van het jaar naar de Top 2000 op Radio 2 luistert. De nummers 1, 2 en 3 zijn dit jaar weer dezelfde als in de eerste editie (1999), net als drie vijfde van de artiesten in de Top 20; ruwweg de helft van alle tweeduizend liedjes was ook al twaalf jaar geleden van de partij. Als je Adele en Coldplay wegdenkt, is het alsof de mainstreampopmuziek in een diepe winterslaap is gedompeld.

De Top 2000 is ‘de hoogmis van de nostalgie’, schrijft Tim Wildschut in het eerste essay van De muziek zegt alles, een gisteren gepresenteerde bundel waarin een tiental wetenschappers zich buigt over het mediafenomeen (11 miljoen luisteraars in 2010) dat ook wel wordt omschreven als ‘de soundtrack van ons leven’ en – dankzij de personalia die de 200.000 stemmers achterlaten – als ‘een speeltuin voor statistisch onderzoek’.

Voer voor psychologen, sociologen, economen en mediastudies dus. Wat niet betekent dat ze ook allemaal met hemelschokkende theorieën of conclusies komen. Ja, mensen hebben in de winter meer behoefte aan muziek die nostalgische gevoelens opwekt. Nee, liedjes zijn van zichzelf nooit nostalgisch; de emoties die ze oproepen worden bepaald door sekse, leeftijd, woonplaats en zelfs sterrebeeld. En nu we het er toch over hebben, eigenlijk weten we nog steeds niet goed wat nostalgie nu eigenlijk is.

In De muziek zegt alles komt de geur van wetenschappelijke onzin en de snijdende tocht van open deuren je tegemoet. De Utrechtse popprofessor Tom ter Bogt acht het wetenschappelijk bewezen dat Top 2000-stemmers aardige mensen zijn, maar verzuimt om daar de argumenten voor te geven. Brabanders blijken graag te stemmen op ‘Brabant’ van Guus Meeuwis. Sommige artiesten (Adele, Bette Midler, Robbie Williams) spreken meer vrouwen dan mannen aan. De filosoof Frank Meester vergelijkt popmuziek met het madeleine-effect van Proust (gaap), terwijl mediawetenschapper José van Dijck erop hamert dat de Top 2000 twaalf jaar geleden al deed wat Facebook nu doet, namelijk het creëren van een community, oftewel de beleving ‘van een evenement via een multimediaal podium waarmee een collectieve ervaring beleefd wordt’.

Gelukkig zijn er ook wetenschappers die wat ze te zeggen hebben niet in een mist van jargon verhullen. Emeritus hoogleraar kunstsociologie Hans Abbing bijvoorbeeld, die de Top 2000 aangrijpt voor een inzichtelijke behandeling van het verschijnsel ‘canon’. Of digitaliseringshoogleraar Paul Rutten, die schrijft over de opkomst en ondergang van de hitparade, en concludeert dat de Top 2000 vooral de uitdrukking is van de nostalgie naar het verdwenen ‘hitgevoel’. En niet te vergeten Douwe Draaisma, die mooi schrijft over het zogeheten reminiscentie-effect bij eind-vijftigers (dat ervoor zorgt dat vooral herinneringen aan de adolescentie opkomen).

Maar tóch: veel vragen worden ook in deze bundel niet beantwoord. Waarom is de top van de Top 2000-lijst in twaalf jaar zo weinig veranderd, terwijl a) uit de cijfers blijkt dat er ieder jaar weer vele nieuwe, jonge stemmers bijkomen, en b) door statisticus Elmer Sterken wordt aangetoond dat de gemiddelde hit in de Top 2000 twaalf plaatsen zakt bij elk jaar dat hij ouder wordt? En wat brengt iemand ertoe, zoals de psycholoog Ad Vingerhoets zich afvraagt, om de wekker te zetten om ’s nachts rond kwart voor drie naar een nummer te luisteren dat hij zelf op cd of iPod heeft staan?

Zoals de echte wetenschapper dan zegt: hiernaar moet nog veel onderzoek worden gedaan.

De muziek zegt alles. De Top 2000 onder professoren. Uitg. L.J. Veen, 208 blz. € 18,95.