Bedreigd dier

Vandaag moeten de kattenhaters maar even wegkijken van deze plek, want ik voel de noodzaak (‘urgentie’ noemen we dat steeds vaker) om een buitengewoon sentimentele kattencolumn te schrijven, zo’n column die vooral de lezeressen tot schreiens toe ontroert, terwijl hun partners (‘mannen’ zei je vroeger) hun gevoeligheid verbergen door snel iets weg te slikken.

U bent gewaarschuwd.

Ik begin maar meteen bij de kern van de gebeurtenis. Gisteravond was ik met onze poes Anne alleen thuis toen ik mijn eten in de magnetron opwarmde. Kliekjes van de vorige dag, genadiglijk achtergelaten door mijn vrouw, die ook altijd een warm hart heeft voor daklozen en oorlogsinvaliden. Anne had al gegeten, een uurtje eerder, maar katten zijn nu eenmaal onverzadigbaar: wat seks is voor ons, is eten voor hen.

Ze bewoog zich miauwend en flikflooiend om mijn benen, als een verwend kind dat om aandacht bedelt. Ik probeer haar dan altijd, letterlijk en figuurlijk, zoet te houden door haar een toefje slagroom voor te zetten. Het mag niet te veel zijn, anders begint de dierenarts te mopperen over suikerziekte en andere kwalen „waaraan ze op den duur doodgaan”. De slagroom leidt haar even af van haar ingebeelde honger, zodat ik me aan andere zaken kan wijden.

Dit nuttige scenario leek ook nu weer zijn dienst te bewijzen tot ik een onherstelbare fout maakte: in mijn ijver ging ik op haar voorpootjes staan. Heel even maar en, echt waar Anne, totaal onopzettelijk, maar het blijven tachtig mensenkilo’s die neerdreunen op tere, onbeschermde klauwtjes.

Ze kermde kort en schoot bij me vandaan – een dier dat zich in zijn naakte existentie bedreigd voelde. Toen maakte ik een nog grotere fout. Ik liep met het schoteltje achter haar aan, terwijl ik onzinnige dingen riep als „Rustig maar” , „Komt wel goed” en „Niks aan de hand”. Ze voelde die tachtig domme kilo’s achter zich aan komen en schoot achter de bank, waar ze trillend bleef zitten.

Ik zette mijn kliekjes op tafel en deed alsof ik ze met smaak ging opeten, terwijl ik het schoteltje op de grond plaatste, een meter van mij vandaan – de derde fout. „Kom maar”, zei ik zo lief mogelijk.

Ze keek wel uit. Een minuut of tien bleef ze afwachten, schuw loerend naar Het Gevaar aan tafel. Toen ik even niet oplette, schoot ze uit haar schuilhoek, liet het schoteltje voor wat het was en verdween met de kortst mogelijke bocht uit de woonkamer.

Ik heb haar die avond niet meer teruggezien. Alles verpest, dacht ik bitter, een in aanleg schuwe kat die ons langzaam maar zeker steeds meer was gaan vertrouwen, had ik weer het isolement in gedreven. Die nacht zou ik het zeker weten. Voor het slapengaan springt ze altijd aan mijn kant op het echtelijke bed om welterusten te spinnen. Nooit langer dan een minuut of vijf, daarna verdwijnt ze zwijgend in de nacht. Een ritueel dat soms lastig is, maar dat je toch mist als ze het eens overslaat.

Nu komt het sentimenteelste deel, zet u schrap. Ik lag die nacht naar het plafond te staren met gesloten ogen (ja, dat kan) en had alle hoop al laten varen toen opeens…jawel. Ze bleef korter dan anders, alsof ze wilde suggereren: „Ik ben niet meer boos, maar nog wel verdrietig.” Maar verder maakte ze geen verwijten meer. Zoals katten gewend zijn te doen als ze iets onverkwikkelijks achter zich laten: zand erover.

Eigenlijk zijn het helemaal geen sentimentele beesten. Dat zijn wij.

    • Frits Abrahams