12-jarige gangsters slaan toe

Christian Frascella: Zeven kleine criminelen. Vert. door Henrieke Herber. Moon, 318 blz. € 17,95.

Zeven Italiaantjes met ‘geldproblemen’ besluiten een bank te overvallen – de verleiding is groot om in Zeven kleine criminelen van Christian Frascella een enorm actuele eurocrisis-parabel te zien. Wie het ontstaan van de Italiaanse crisis wil wijten aan een verziekte cultuur van fraudeurs en andere onfrisse praktijken, kan bij Frascella lezen waar het is misgegaan. De geldzorgen van zeven kleine criminelen mogen dan bestaan uit het verlangen naar bokshandschoenen en voetbalplaatjes, hun bankroofplannen zijn bloedserieus.

Zeven kleine criminelen is een energieke roman, waarin het de Italiaan Christiaan Frascella lukt om vele verhalen te vertellen. Het is een tragische kroniek van een Midden-Italiaanse dorpsgemeenschap in de jaren tachtig, een rauwe maffiathriller en een meeslepend jongensboek ineen. Frascella’s debuut Ik ben de sterkste won als beste vertaalde jeugdroman de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs en werd geroemd om de krachtige vertelstem van de hoofdpersoon. Dat kunstje wil Frascella niet te herhalen: één hoofdpersoon van zestien maakte plaats voor zeven jochies van twaalf en de ik-verteller is voor een filmische registratie met veel perspectiefwisselingen.

De tien dagen die het verhaal omspant, zijn meteen de dagen waarin alles in het dorp op springen komt te staan. De oorzaak zou de terugkeer van ‘de Mexicaan’ kunnen zijn, de gevreesde maffioso die zijn gevangenistijd heeft uitgezeten en nu verhaal komt halen: waar zijn ‘taart met vijl’ bleef. In die scène trekt Frascella een toepasselijk gangsterfilm-register open, zoals hij even later moeiteloos overschakelt naar het schoolplein, waar andere problemen heersen. Billo, Corda, Gorilla, Ranacci, Cecconi, Lonìca en Fostelli spreken elkaar aan bij achternaam of bijnaam en citeren graag uit Scarface, maar leven nog in het pre-vriendinnetjestijdperk. Wanneer wegens de bankroofplannen een spuuglelijk meisje versierd moet worden, is dat een hele opgave.

De bankovervalplot houdt het verhaal gaande, maar Frascella monteerde zijn verhaal zo knap dat hij de zeven jongens allemaal een eigen achtergrondverhaal kon geven, en eigen diepte. Hij houdt dat niet helemaal vol: aan het einde van de roman is er vooral ruimte voor een actiefilmachtige ontknoping, waardoor niet alle lijntjes even overtuigend worden afgehecht. Maar wat beklijft is de ontroerende tragiek.

Zorgeloos opgroeien is er voor niemand bij. Gorilla wordt afgeperst door zijn broer, Ranacci heeft een vader die jarenlang ongemerkt twee gezinnen onderhield, Billo wordt vreselijk bedrogen door een voetbaltalentscout. De mannen tegen wie de jongens opkijken blijken allerminst onfeilbaar en nota bene de Mexicaan biedt hen de grootste levensles: het leven is geen avontuur. Moet dat ooit goed komen?

    • Thomas de Veen