We besteden meer tijd aan onze kinderen dan ooit

Waarom leidt het plan van minister Van Bijsterveldt om ouders meer te betrekken bij de school tot verontwaardiging? Omdat de minister een denkfout maakt: ze spreekt de verkeerde ouders aan.

Minister Marja van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) raakte een gevoelige snaar met haar brief aan de Tweede Kamer over werkende ouders die meer tijd zouden moeten besteden aan hun schoolgaande kinderen. Bij ouders, ook vaders, die proberen hun carrière te combineren met een jong gezin, valt kritiek nooit lekker. Maar is dat de reden voor de ophef over de voorstellen van de minister? Of is het onzin wat de minister beweert?

We beginnen bij de feiten. Besteden werkende ouders bijvoorbeeld minder tijd aan hun kinderen dan vroeger? Het antwoord is: integendeel. Een half jaar geleden publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) het Gezinsrapport 2011 waaruit het tegendeel blijkt: in vergelijking met dertig jaar geleden, zijn ouders bijna dubbel zoveel tijd aan hun kinderen gaan besteden.

Vaders besteedden in 1980 gemiddeld 3,3 uur per week aan een kind; in 2005 was dat 6,3 uur. Bij vrouwen steeg die tijd van 9,1 naar 13,9 uur. En dat terwijl vrouwen (en moeders) de afgelopen 20 jaar massaal zijn gaan werken. Werkende ouders bezuinigen eerder op de tijd voor zichzelf, dan op die voor hun kinderen, stelt het SCP.

Volgens het onderzoeksrapport komt dat doordat ouders hun kinderen meer dan vroeger bewúst aandacht willen geven. Qualitytime, zeg maar. Kinderen hangen er niet een beetje bij, zoals vroeger vaak het geval was, nee, ouders ondernemen activiteiten met hun kinderen, en zijn dus meer betrokken dan ooit. Scholen vragen daar ook om: luizenmoeders, voorleesvaders, knutselmiddagen en gezamenlijke schoonmaaksessies. Werkende ouders doen het allemaal, met kunst- en vliegwerk. De ouders van die werkende ouders, de opa’s en de oma’s, verbazen zich daar vaak over. Zij kwamen beduidend minder vaak op school, toen hun kinderen klein waren.

Waarom dan toch dit appèl van de minister? Volgens het ministerie van Onderwijs maakt Van Bijsterveldt zich zorgen over de geringe betrokkenheid van ouders na „vele gesprekken met leraren, directeuren en ouders”. Volgens een woordvoerder van de minister is er een grote groep ouders die erg betrokken is bij de leerontwikkeling van hun kind. Maar „helaas geldt dit niet voor alle ouders”. Een ‘veelgehoord geluid’ tijdens de gesprekken was dat veel ouders afwezig zijn bij rapportavonden, maar wel veeleisend zijn als er iets niet goed gaat met hun kind.

Volgens Van Bijsterveldt heeft een kleine inspanning vaak al veel effect: voorlezen, praten over dingen die gebeuren op school, over wat je kind later wil worden, maar ook: je kind met ontbijt naar school laten gaan en op tijd in bed stoppen.

Maar ook hier spreken de feiten haar tegen: bijna alle ouders (92 procent) vinden het belangrijk om tijd te besteden aan de school, blijkt uit de Monitor ouderbetrokkenheid in het funderend onderwijs van onderzoeksbureau Ecorys. Een meerderheid van de ouders (zo’n 70 procent) doet al precies wat Van Bijsterveldt wil: zij praten dagelijks met hun kinderen over school. Over de lesstof, over de leraren en over het huiswerk. Ruim eenderde van de ouders helpt de kinderen minstens eens per week met het huiswerk. Hoger opgeleide ouders helpen hun kinderen iets vaker.

Dat het helpt als ouders hun kinderen voorlezen, adviseren en begeleiden, toonde het PISA-onderzoek (een internationale vergelijking van schoolprestaties) in 2009 aan: de prestaties nemen dan toe. Maar juist met de kinderen van de tweeverdieners die Van Bijsterveldt aanspreekt door te stellen dat ouders maar minder moeten gaan werken om meer tijd aan hun kinderen te besteden, gaat het in de regel goed op school.

Er is namelijk een verband tussen de opleiding van de vrouw, de schoolprestaties van haar kinderen, en hoeveel ze werkt. Van de vrouwen met een lage opleiding, werkt 39 procent, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Voor vrouwen met een hoge opleiding is dat 80 procent. Kinderen van hoog opgeleide ouders presteren in de regel beter op school: ze hebben een veel grotere kans zelf een hoge opleiding te volgen dan kinderen van ouders met een lage opleiding, blijkt uit statistieken van het CBS.

Van Bijsterveldt baseert haar oproep mede op een advies van de Onderwijsraad uit 2010. In dat advies staat dat een hoge betrokkenheid van ouders de prestaties van kinderen kan verbeteren. Maar juist ouders met een hoge sociaal-economische status en een hoge opleiding zijn vaak betrokken. Ouders met een lage sociaal-economische status en een lage opleiding zijn dat vaker niet. Uit onderzoek blijkt volgens de Onderwijsraad dat laagopgeleide en niet-Nederlands sprekende ouders „moeilijk bij het onderwijs zijn te betrekken, zij komen weinig naar rapportbesprekingen en ouderavonden”. De ouders die de minister dus eigenlijk wil aanspreken, bereikt ze met haar pleidooi over tweeverdieners niet. Voor de duidelijkheid: er zijn vast tweeverdieners die zich nooit bemoeien met de opleiding van hun kinderen, maar uit niets blijkt dat dit het grote probleem is waar het onderwijs mee kampt.

De collectieve verontwaardiging heeft nog een andere oorzaak: de politiek geeft een dubbele boodschap af. De afgelopen jaren werd vooral aan moeders gezegd dat ze moesten gaan werken of meer moesten gaan werken. Dat was goed voor de economie én voor de vrouw, die moest immers financieel onafhankelijk kunnen zijn. Er kwamen commissies: de Taskforce DeeltijdPlus (met als boegbeeld huidig D66-Kamerlid Pia Dijkstra) probeerde vrouwen aan een fulltime baan te krijgen en de Commissie Dagindeling moest het leven voor werkende ouders gemakkelijker maken door school- en winkeltijden beter aan te laten sluiten.

Beide commissies zijn inmiddels opgeheven. De schooltijden zijn grotendeels nog hetzelfde als vijftig jaar geleden en over het verruimen van sluitingstijden van winkels en overheidsinstellingen is de politiek het nog steeds niet eens. Er is op dat vlak dus niet veel voor werkende ouders gedaan. Wel gaven achtereenvolgende kabinetten ouders sinds 2005 veel meer kinderopvangsubsidie: 3 miljard euro per jaar. Daar zet dit kabinet een rem op. De kinderopvang wordt over een maand duurder.

En dan valt een oproep van de minister om meer te doen met de kinderen, zelfs als dat ten koste gaat van je werk, gewoon heel verkeerd.

    • Marike Stellinga
    • Patricia Veldhuis