Voor de film

Eigenaardige gewaarwording: in de bioscoop, voor het begin van de speelfilm, zelf iets meemaken dat zich zou lenen voor een intrigerende openingsscène van zo’n film. Het gebeurde mij in Pathé City, de bioscoop bij het Leidseplein in Amsterdam. Het was bij een middagvoorstelling waarvoor zich maar een handjevol bezoekers gemeld had.

Op de derde verdieping had de buffetbediende zo weinig te doen dat hij tijd moest hebben om antwoord te geven op een vraag die mij al langer kwelde: waarom zag deze zo ingrijpend verbouwde bioscoop er aan de voorzijde niet als een bioscoop uit? Geen lichtreclame met filmtitels, geen vitrines met foto’s en recensies. De bediende was kort en duidelijk: „Omdat iedereen weet: Pathé, dat is film.”

Voor ze bij Pathé een duur reclamebureau inhuren voor een slagzin: ik zou het hierbij laten en die jongen opslag geven.

Toen mochten we naar binnen. Ik nestelde me op mijn favoriete rij, de achterste, waar je het hele slagveld, zowel op het doek als in de zaal, kunt overzien. Op de rij voor me zaten twee meisjes, popcornemmertjesmeisjes, druk te praten terwijl ze de weeïge lucht van hun versnapering verspreidden. Drie stoelen naast mij ging een jonge man in een leren jack zitten. De voorstelling zou over vijf minuten beginnen, de lichten waren nog aan.

Als laatste kwam een slordig geklede, slungelachtige man van in de dertig binnen. Hij liep door de achterste rij, voorbij mijn buurman en mij, en daalde vervolgens enige rijen naar beneden af. Hij maakte aanstalten om een van die rijen in te gaan – ze waren vrijwel leeg – maar hij bleef talmen. Even keek hij omhoog om zijn blik op de achterste rij te laten rusten. Hij kwam terug.

Eerst passeerde hij mij, toen mijn buurman. Hij bleef zonder enige haast lopen, de hele rij af. Bij de toegangsdeur keek hij nog even om, een laatste inspectie van de rij die hij net had verlaten. Hij opende de deur, er viel gelig ganglicht op zijn gezicht – en weg was hij.

De man naast mij had hem, net als ik, nagekeken en richtte zijn ogen nu weer op het nog lege filmdoek. Een minuut verstreek. Toen stond de man met een vlugge beweging op en verdween door dezelfde deur waardoor de andere man de zaal had verlaten. De film begon, maar zij kwamen niet terug.

Merkwaardig. Even voelde me ik de getuige van een geheimzinnig ritueel dat ik niet onmiddellijk kon duiden. Toen dacht ik: ach ja, natuurlijk.

De film heette Margin Call en bood een boeiende inkijk in de wereld van de high finance. Werknemers van een grote investeringsbank op Wall Street moeten nog juist voor de totale ineenstorting van hun bedrijf zoveel mogelijk waardeloze waardepapieren zien te verkopen. Hebzucht is een gepasseerd station, het gaat alleen nog om overleving. De zwaksten vliegen eruit, de slimsten mogen het bedrog in praktijk brengen: „You’re selling something that you know has no value.”

Als leek begreep ik er lang niet alles van, het is een film die commentaar verdient van financiële experts: wat is overdreven, wat realistisch? De maker, J.C. Chandor, zou het verhaal op de ondergang van een bepaalde bank hebben gebaseerd. Het maakte voor mij niet veel verschil: ik genoot van de acteurs (Kevin Spacey, Jeremy Irons) die op hun beurt zichtbaar van hun dialogen genoten.

Die twee zaalverlaters hadden wel degelijk iets gemist, dacht ik nog, terwijl ik pas op de gang het trappetje zag dat omhoog voerde naar de wc’s.