Voetbal, maar tegen reële prijs

De eredivisie in het betaald voetbal staat er al een poosje financieel niet goed meer voor. Dit jaar merken de spelers dat voor het eerst. Uit een analyse van vijftien tot nu toe verschenen jaarverslagen van voetbalclubs blijkt dat de topsalarissen op hun retour zijn. Alle clubs betalen hun eredivisiespelers nu zo’n tien procent minder salaris. De commerciële inkomsten lopen terug, onder meer die uit sponsorgelden en tv-inkomsten.

Dat het gemiddelde spelerssalaris nog altijd ruim 3 ton bedraagt, laat zien dat het nog te vroeg is voor medelijden. Voetballers vormen in Nederland de best betaalde professionele sportlieden. Op zich is dat geen wonder. Voetbal is in Nederland de belangrijkste sport. De grootste bond, de KNVB, behaalde in 2010 voor het eerst meer dan 1,2 miljoen leden. Mede een gevolg van de opkomst van het vrouwenvoetbal. Dat de top van deze piramide goed verdient, is ook een uiting van het commerciële belang. Wie goed presteert mag ook veel verdienen, of het nu kunst, bedrijfsleven of sport betreft.

Alleen is betaald voetbal in Nederland niet uitsluitend een zaak van de vrije markt. Dat is alleen al te zien aan het relatief late tijdstip van deze trendbreuk in salarisontwikkeling. Bij de financiering van stadions spelen gemeenten steeds vaker een grote rol, in toenemende mate met ongemak en lichte tegenzin. Dat er de laatste jaren meer gemeenschapsgeld in voetbal is geïnvesteerd dan economisch verantwoord, is geen nieuw inzicht. Als excuus gold dat het geld niet alleen is bestemd voor het spel. Voetbal is een identiteitsverschaffer. Het bepaalt mede de saamhorigheid tussen burgers, tot ver in de regio. De eigen voetbalclub is voor velen een baken in een snel veranderende wereld, waarvoor ‘liefde’ een understatement is.

De spelers in de clubkleuren zijn zich bewust van deze status, net als de clubbestuurders. Ze worden niet alleen betaald voor hun doelpunten, maar ook voor hun aandeel in deze emotionele waarde. Maar ook die is toe aan afwaardering, in lijn met de salarissen.

Gemeentebestuurders die het onroerend goed mochten aanschaffen om het semi-gratis terug te verhuren, voelden zich altijd zwak. Zij subsidiëren een clubsysteem, dat economisch op lemen voeten staat. Ook aan identiteit hangt een prijskaartje, zo blijkt. Inmiddels lijden de meeste clubs verlies en is er een aantal met grote schulden. Voetbalclubs zijn overgewaardeerd en bleken al in hoogconjunctuur niet in staat om zichzelf te bedruipen. Zo bezien komen de spelers nu nog met de schrik vrij. Hoeveel eredivisieclubs kan de Nederlandse economie zich permitteren? Met of zonder subsidie, minder dan nu. Dat is wel duidelijk.