Nog meer praten, zwemmen, lezen en ontbijten

De minister vindt dat ouders meer betrokken moeten zijn bij de school van hun kinderen.

Ouders zijn boos. Zij maken al meer tijd dan vroeger vrij.

Nederland. Vleuten. 17 november 2009. Broodtrommel. Bruin Brood. Gezond. Kaas. Fruit. Overblijven. Basisschool. Banaan. Foto: Werry Crone Werry Crone Hollandse Hoogte/H>

Ze was binnen de kortste keren trending topic op Twitter. Minister Marja van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) raakte een gevoelige snaar met haar brief aan de Tweede Kamer over werkende ouders die meer tijd zouden moeten besteden aan hun schoolgaande kinderen. Ouders, schrijft de minister, moeten ‘prioriteit geven aan de opvoeding en aan de overdracht van waarden en normen’.

De reacties waren niet mals. „Mens, je weet niet waar je het over hebt”, zei oud-minister en oud-staatssecretaris Emancipatiezaken Hedy d’Ancona. „Van Bijsterveldt trapt met deze brief in de open zenuw van werkende moeders”, reageerde Phaedra Werkhoven, hoofdredacteur van Mama Magazine, het tijdschrift voor moeders.

Dat de minister een open zenuw raakt, is duidelijk. Bij ouders, ook vaders, die proberen hun carrière te combineren met een jong gezin, valt zulke kritiek nooit lekker. Maar is dat ook de reden voor de ophef? Of is het onzin wat de minister beweert?

We beginnen bij de feiten. Besteden werkende ouders bijvoorbeeld minder tijd aan hun kinderen dan vroeger? Een half jaar geleden publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) het Gezinsrapport 2011 waaruit het tegendeel blijkt: in vergelijking met dertig jaar geleden, zijn ouders bijna dubbel zoveel tijd aan hun kinderen gaan besteden.

Vaders besteedden in 1980 gemiddeld 3,3 uur per week aan een kind; in 2005 was dat 6,3 uur. Bij vrouwen steeg de tijd die aan een kind werd besteed van 9,1 naar 13,9 uur. En dat terwijl vrouwen (en moeders) de afgelopen 20 jaar massaal zijn gaan werken. Werkende ouders bezuinigen eerder op de tijd voor zichzelf, dan op die voor hun kinderen, stelt het SCP.

Volgens het onderzoeksrapport komt dat, doordat ouders hun kinderen meer dan vroeger bewúst aandacht willen geven. Quality time, zeg maar. Kinderen hangen er niet een beetje bij, zoals vroeger vaak het geval was, nee, ouders ondernemen activiteiten met hun kinderen, en zijn dus betrokkener geworden. Scholen vragen daar ook om: luizenmoeders, voorleesvaders en knutselmiddagen. Werkende ouders doen het allemaal. De ouders van die werkende ouders, de opa’s en de oma’s verbazen zich daar vaak over. Zij kwamen minder vaak op school, toen hun kinderen klein waren.

Waarom dan toch dit appèl van de minister? Volgens het ministerie van Onderwijs maakt Van Bijsterveldt zich zorgen over de geringe betrokkenheid van ouders na ‘vele gesprekken met leraren, directeuren en ouders’. Volgens een woordvoerder van de minister is er een grote groep ouders die erg betrokken is bij de leerontwikkeling van hun kind. „Helaas geldt dit niet voor alle ouders.”

Een veelgehoord geluid tijdens deze gesprekken was dat veel ouders vaak afwezig zijn bij belangrijke momenten zoals rapportavonden, maar wel veeleisend zijn als er even iets niet goed gaat met hun kind. Volgens van Bijsterveldt heeft kleine inspanning vaak al veel effect: voorlezen, praten over dingen die gebeuren op school, over wat je kind later wil worden, maar ook: je kind met ontbijt naar school laten gaan en op tijd naar bed laten gaan.

Dat het helpt als ouders hun kinderen voorlezen, adviseren en begeleiden, toonde ook het PISA-onderzoek in 2009 aan. De schoolprestaties nemen toe. Maar juist met de kinderen van de tweeverdieners die Van Bijsterveldt aanspreekt, gaat het in de regel goed op school.

Dat zit zo. Er is een verband tussen de opleiding van de vrouw, de schoolprestaties van haar kinderen, en hoeveel ze werkt. Van de vrouwen met een lage opleiding, werkt 39 procent, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Voor vrouwen met een hoge opleiding is dat 80 procent. Kinderen van hoogopgeleide ouders presteren in de regel beter op school: ze hebben een veel grotere kans zelf een hoge opleiding te volgen dan kinderen van ouders met een lage opleiding, blijkt uit statistieken van hetzelfde CBS. Ook zijn hun ouders vaak meer betrokken en stimuleren ze vaker de schoolprestaties van hun kinderen. De ouders die de minister dus eigenlijk wil aanspreken, de laagopgeleide ouders, bereikt ze met haar pleidooi over tweeverdieners niet.

De collectieve verontwaardiging heeft nog een andere oorzaak: de politiek geeft een dubbele boodschap af. De afgelopen jaren werd vooral aan moeders gezegd dat ze moesten gaan werken of meer moesten gaan werken. Dat was goed voor de economie én voor de vrouw, die moest immers financieel onafhankelijk kunnen zijn.

Er kwamen commissies: de Taskforce DeeltijdPlus (met als boegbeeld huidig D66-Kamerlid Pia Dijkstra) probeerde vrouwen aan een fulltime baan te krijgen en de Commissie Dagindeling moest het leven voor werkende ouders gemakkelijker maken door school- en winkeltijden beter op elkaar aan te laten sluiten.

Beide commissies zijn inmiddels opgeheven. De schooltijden zijn nog hetzelfde als vijftig jaar geleden en over het verruimen van sluitingstijden van winkels en overheidsinstellingen is de politiek het nog steeds niet eens. Er is op dat vlak niet veel voor werkende ouders gedaan. Wel gaven achtereenvolgende kabinetten ouders sinds 2005 veel meer kinderopvangsubsidie: in totaal 3 miljard euro per jaar. Daar zet dit kabinet nu een rem op. De kinderopvang wordt over een maand duurder.

En dan valt een oproep van de minister om meer te doen met de kinderen, zelfs als dat leidt tot minder werken, heel verkeerd.

    • Marike Stellinga
    • Patricia Veldhuis