Niet alle armen wonen nog in arme landen

Ontwikkelingshulp naar westerse model heeft zijn langste tijd gehad.

De rol van overheden wordt steeds kleiner, nieuwe spelers zijn in opkomst.

In het Zuid-Koreaanse Busan begon gisteren de internationale conferentie over de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking. De belangrijkste vraag luidt: wat is de toekomstige rol van ontwikkelingssamenwerking in de oplossing van mondiale problemen? Vaststaat dat de hulparchitectuur zoals wij die kennen – rijke, westerse landen bieden hulp aan arme landen in Afrika en Azië – in hoog tempo haar relevantie verliest.

Hoe komt dit?

Nationale overheden zijn in de vraagstukken van vandaag slechts een deeltje van de keten. Nationale overheden kunnen kwesties als klimaatverandering, migratie of het financiële systeem niet meer onderling regelen. De betrokkenheid van andere spelers is nodig. Deze spelers zijn steeds vaker niet-statelijk, zoals non-gouvernementele organisaties, filantropen en bedrijven.

Landen die we nog als ontwikkelingslanden definiëren, zoals China, India en Brazilië, worden steeds actiever in ‘echte’ ontwikkelingslanden. Zij vinden een politiek van wederzijds eigenbelang vanzelfsprekend en bezigen hun eigen spelregels. Deborah Brautigam schreef erover in het fascinerende boek The Dragon’s Gift: The Real Story of China in Africa. De Chinese benadering in Afrika, bijvoorbeeld, bouwt voort op het systeem dat de Chinezen van de Japanners leerden – grote kredieten tegen competitieve tarieven, gekoppeld aan de levering van Chinese machinerie, gereedschap en bouwkundige diensten en met terugbetaling in de vorm van grondstoffen. Wat wij hiervan ook mogen vinden, dit is de nieuwe werkelijkheid. Overigens zijn de opkomende economieën niet de enige nieuwe spelers in ontwikkelingslanden. Ook beleggingsfondsen, investeringsmaatschappijen en gulle gevers spelen een steeds grotere rol.

De verandering van het mondiale armoedepatroon. Het aantal arme landen daalt. The International Development Association, het loket van de Wereldbank waar arme landen geld kunnen lenen, verliest in de komende tien tot vijftien jaar naar verwachting ruim de helft van zijn klanten. Nu vallen nog 68 landen onder de noemer ‘arm’. Tegen die tijd zijn het er waarschijnlijk zo’n 36. Dat zullen vooral de tragische gebieden zijn die we ‘falende staten’ noemen: Afghanistan, Jemen, Congo en dergelijke. Het idee om een deel van het bruto binnenlands product aan ontwikkelingshulp uit te geven, is ontstaan in een wereld met slechts twee smaken. Je had arme landen en je had rijke landen. De ambitie van ontwikkelingshulp was het internationaal en eerlijker herverdelen van de welvaart. De spectaculaire daling van het aantal arme landen toont dat deze wereld van arme landen versus rijke landen als dominant contrast niet meer bestaat.

Niet alleen daalt het aantal arme landen, ook neemt het aantal arme mensen af. Volgens het gezaghebbende Brookings Institution is het aantal armen tussen 2005 en 2010 van ruim 1,3 miljard teruggebracht tot circa 900 miljoen. Dit is een veel snellere daling dan nog maar een paar jaar geleden voor mogelijk werd gehouden. Ditzelfde Brookings Institution schat dat er in 2015 zelfs minder dan 600 miljoen armen zullen zijn, hoewel de (financieel-economische) crisis nog roet in het eten kan gooien.

Deze grote stappen vooruit gelden niet alleen Azië, maar ook Afrika. Volgens cijfers van het Internationaal Monetair Fonds en The Economist stonden tussen 2001 en 2010 maar liefst zes Afrikaanse landen in de toptien van snelst groeiende economieën. De African Development Bank heeft voorspeld dat maar liefst tien Afrikaanse landen dit jaar uitkomen op meer dan 7 procent economische groei. Private-equityfondsen weten Afrika steeds beter te vinden.

Ons beeld van ‘hier gaat het goed en daar gaat het slecht’ klopt dus steeds minder met de werkelijkheid. Natuurlijk zijn er nog te veel armen, maar zij concentreren zich niet langer in arme landen. Armen wonen juist steeds vaker in middeninkomenslanden. De elites van deze landen dragen in eerste instantie zelf verantwoordelijkheid voor herverdeling. Hiermee bedoel ik dat alle burgers de kans moeten krijgen deel te nemen aan de – economische – vooruitgang.

Deze trends betekenen niet dat ontwikkelingssamenwerking overbodig is geworden, integendeel, maar de kleinere rol van staten, de opkomst van nieuwe spelers en de verandering van het armoedepatroon vragen om een nieuwe architectuur van internationale verantwoordelijkheid. Ontwikkelingssamenwerking evolueert naar een soort makelaarsfunctie voor internationale verantwoordelijkheid. De klassieke hulparchitectuur heeft z’n langste tijd gehad.

In Busan kan het twee kanten op. Of er wordt alleen gepraat over klassieke ontwikkelingssamenwerking, of de deuren gaan open voor nieuwe ontwikkelingen. Het zou mooi zijn als in Zuid-Korea een eerste stap kan worden gezet voorbij de oude, westerse wereld van ontwikkelingssamenwerking.

Ben Knapen is staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (CDA) en als zodanig verantwoordelijk voor ontwikkelingssamenwerking.

    • Ben Knapen