Kleine kunst van grote namen

Lex en Ria Danïëls verzamelen miniatuur- kunstwerken. De meeste zijn speciaal voor hen gemaakt. Damien Hirst maakte bijvoorbeeld een gup op sterk water.

unst op de vierkante centimeter – dat is de liefhebberij van Lex en Ria Daniëls, oprichters van galerie Reflex in Amsterdam. In veertig jaar hebben ze een verzameling aangelegd van tegen de tweeduizend kleine kunstwerken van grote namen, onder wie Damien Hirst, Louise Bourgeois, Karel Appel en Marlene Dumas. De collectie van het echtpaar is nu te zien in het Haags Gemeentemuseum als onderdeel van de tentoonstelling XXSmall, naast poppen en poppenhuizen. Daarna verhuist de verzameling voor vijf jaar naar de Wonderkamer, de educatieve opstelling van het museum.

„Tien bij tien centimeter”, zegt Lex Daniëls vanachter zijn overvolle bureau, „of kleiner. Dat is ons criterium voor een miniatuur. Schilders en de fotografen lukt dat meestal, beeldhouwers hebben soms iets meer nodig.” Zoals Jan Fabre, maker van hun nieuwste aanwinst. Ria: „We zagen op de Apollolaan een fantastisch werk van hem, een schildpad met een man op zijn rug. We hebben Fabre gevraagd iets voor ons minimuseum te maken. Het is geen minischildpad geworden, maar een hertshoornkever met een grote kogel op z’n rug. Fabre heeft er ook een heel mooi doosje voor gemaakt. Echt een kunstwerk.”

In 1987 begonnen Lex en Ria Daniëls galerie Reflex in Amsterdam. Een paar jaar geleden heeft hun zoon Alex die overgenomen en houden Lex en Ria kantoor op de benedenverdieping. Anders dan de serene open ruimte boven heeft deze lage kelder met volle wanden en uitpuilende kasten ook iets weg van een poppenhuis. Vanzelfsprekend is alles hier in het klein. Behalve dan het staatsieportret aan de wand door Erwin Olaf, waarop Lex en Ria hun twee hondjes in hun armen houden, Araki en Daido, genoemd naar de bevriende Japanse fotografen Nobuyoshi Araki en Daido Moriyama.

Damesmode

Het minimuseum is begonnen met een kleine Appel, vertelt Lex, in de tijd dat hij nog winkels in damesmode van bont en leer had, vanaf 1965 in de Utrechtsestraat, later in de P.C. Hooftstraat en de Kalverstraat. „Het was heel simpel: een kleine Appel was goedkoper dan een grote. Ik kocht wat ik kon betalen. Ik heb ook veel geruild, van Eugène Brands, van de CoBrA-kunstenaars zoals Appel. Toen Ria en ik elkaar leerden kennen had ik Appels, Brands, een Anton Heijboer, en ook wat keramiek.”

De stap van miniaturen aan de wand naar een minimuseum kwam simpelweg door het schilderen van de gang. „We hadden er intussen zo’n tachtig, en ik vond het zonde om weer zoveel gaten in die mooie nieuwe wanden te maken”, zegt Ria. „Bovendien krijg je ze nooit allemaal recht. Zo kwamen we op het idee van een ‘museumgebouw’. Dat hebben we zelf laten maken, zes meter lang en 2,5 meter hoog in de vorm van twee vleugels met kastjes erin en glas ervoor. We hebben alle kunstenaars die we kenden, benaderd om er een miniatuur voor te maken.”

Het ‘museumgebouw’ heeft ruim een jaar bij hen in de galerie gestaan en is daarna in het AMC te zien geweest. Ze maakten een minicatalogus waarvan de opbrengst naar het onderzoek naar kanker bij kinderen ging. „Het ziekenhuis was geweldig, daar komen veel meer mensen langs dan in het Stedelijk. Regelmatig kwamen er schoolgroepen die aan de hand van al die werken uitleg kregen over de kunst van onze tijd. Totdat er uit gestolen werd, helaas.”

Het niveau is door de jaren heen hoger geworden, zegt Lex. „In het begin ben je al blij als iemand mee wil doen. We zijn inmiddels wat brutaler geworden.” Soms hebben ze werkjes gekocht, soms geruild, soms gevraagd, soms gekregen. Armando schilderde vijf doekjes voor ze, Louise Bourgeois gaf een tekening, Georg Baselitz had een werk in bruikleen gegeven maar schreef toen: ach, houd het maar. Het echtpaar was verguld toen ze via een bevriende galeriehouder in New York een werkje van Roy Lichtenstein kregen, met een brief dat hij het een eer vond om mee te mogen doen.

Soms is er wel enige overtuigingskracht nodig. „Daniel Spoerri was hier voor de opening van zijn tentoonstelling. Ken je dat werk van hem, allemaal tafels waar het servies en de resten van een maaltijd op vastgeplakt zijn? Ik vroeg hem om een miniatuurtje, maar hij zei, ‘Dat kan ik niet, ik heb zulke grote handen’. Toen heb ik hem meegenomen naar een speelgoedwinkel en gaf hem allemaal kandelaartjes en potjes en pannen en servetjes mee, met een plankje en paar tubes lijm. Heel trots kwam hij de volgende ochtend met een werkje aanzetten.”

Punaise

Het is opvallend hoe zeer de kunstenaar ook op zo’n klein formaat te herkennen is. Soms omdat een werkje aan een werk refereert: Damien Hirst maakte voor Daniels een gup op sterk water, een verwijzing naar zijn bekende haai. Het minimuseum bezit een foto van Desirée Dolron in het klein die het Haags Gemeentemuseum in het groot heeft. „Fotografen hebben het het makkelijkst”, zegt Lex Daniëls. „Ze kunnen gewoon een kleine afdruk van dezelfde foto maken. Maar voor anderen is het soms best lastig om hun werk te verkleinen. De Nederlandse kunstenaar Sam Bogart bijvoorbeeld maakt ‘schilderijen’ van grote gekleurde klodders. Iedere klodder weegt een paar kilo, zo’n heel schilderij weegt er 250. Dan is tien bij tien centimeter echt klein. Maar het is hem gelukt.”

Hebben ze met zo’n uitgebreide collectie nog een verlanglijst? „Jazeker!” zegt Ria, „Van Maurizio Cattelan bijvoorbeeld, die nu een tentoonstelling heeft in het Guggenheim, zouden we graag iets hebben. En van Cindy Sherman. Dat moeten we proberen via galeries in Amerika die we kennen. Met lobbyen kom je een heel eind.”

Hun kleinste minikunstwerk is een schilderij van Karel Sierag, die al miniatuurschilderijen máákt. Het werd de overtreffende trap van een miniatuur: een landschap geschilderd op een punaise.

‘XXSmall’. T/m 25 maart in het Haags Gemeentemuseum. Inl: gemeentemuseum.nl

    • Tracy Metz