Het Evangelie van Oz

The Wizard of Oz uit 1939 komt vandaag opnieuw uit in 40 Nederlandse filmzalen.

Het verhaal van Dorothy zit vol met nog altijd bestaande archetypen.

Dat Dorothy niet meer in Kansas is, blijkt als ze een appel van een boom wil plukken. De boom spreekt haar bestraffend toe: „Hoe zou jij het vinden als er iemand langs kwam en zomaar iets van je afpakte?” Gesouffleerd door de hersenloze Vogelverschrikker, die Dorothy afraadt om iets met groene wormen erin te eten, versmaadt ze de appel.

Dat had Eva in het paradijs misschien ook moeten doen.

Voor het tijdloze succes van de musicalfilm The Wizard of Oz uit 1939 bestaan vele verklaringen. Natuurlijk is het een van de beste musicals uit de MGM-studio, met een revolutionaire toepassing van het nog maar een paar jaar bestaande Technicolor-procedé. De tijdens de opnamen 16-jarige Judy Garland, toen al worstelend met een gewichtsprobleem, is een ontwapenend rolmodel voor naar onafhankelijkheid strevende pubers (om dat vreselijke woord ‘icoon’ maar eens te vermijden).

Maar dat verklaart nog niet waarom al die andere glorieuze MGM-musicals, soms ook met Garland als stralend middelpunt, veel minder tot de verbeelding spreken en niet steeds opnieuw vertoond worden, zoals The Wizard of Oz dat nu wordt. Vanaf vandaag draait de digitaal gerestaureerde film in veertig Nederlandse bioscopen.

Over het verhaal, gebaseerd op L. Frank Baums in 1900 gepubliceerde jeugdroman The Wonderful Wizard of Oz, bestaan een aantal standaardinterpretaties. Het door eerstejaars studenten filmwetenschap verplicht gelezen studieboek Film Art: An Introduction door David Bordwell en Kristin Thompson uit 1979 geeft er enkele. De door een wervelstorm samen met haar hondje Toto naar het sprookjesrijk van Oz weggeblazen Dorothy moet daar een aantal tegenslagen overwinnen en opdrachten volbrengen voordat ze veilig kan terugkeren naar Kansas. Het klassieke Hollywoodstramien: held in problemen, uit de weg ruimen van hinderpalen, gelouterde overwinning. Je kunt er een moralistische boodschap in zien van verzoening met de werkelijkheid: „There’s no place like home.”

Verdergaand is de interpretatie dat het gevecht met de Slechte Heks van het Westen een vorm van (seksuele) initiatie zou zijn. Ik zie daar niet zo veel aanwijzingen voor, behalve dat elke film met een puber in de hoofdrol daar uiteindelijk wel over zou moeten gaan.

Interessanter en veel minder populair is een interpretatie die recht doet aan de receptiegeschiedenis van de film. In de afgelopen 72 jaar is The Wizard of Oz herhaaldelijk waargenomen als een model voor het overwinnen van angsten en vooroordelen, voor emancipatie van onderdrukte minderheden en wie weet zelfs voor religiekritiek. Zo bezien is de film zelfs opvallend actueel.

In de eerste twintig minuten van de film, in monochroom sepia, maken we al kennis met de meeste personages van de film, die later in Oz vermomd zullen terugkeren. Zo heeft het weesmeisje Dorothy het aan de stok met een zure oude dame, mevrouw Gulch. Ze heerst als een rijke potentaat over dat deel van Kansas en wordt door Margaret Hamilton gespeeld als een heks die tegen de wind in fietst. Gulch dreigt het hondje Toto af te pakken, omdat het achter haar kat heeft aangezeten. Uiteraard is zij in Oz de Slechte Heks van het Westen.

Er is ook een goede God, maar dat is een beetje een charlatan. Professor Marvel (Frank Morgan) is een rondtrekkende wonderdokter met kristallen bol: de kwaadste niet, maar ook niet helemaal te vertrouwen. Hij wordt later de Tovenaar van Oz, een almachtig heerser, wiens sprekende hoofd in het paleis van Emerald City groot geprojecteerd wordt, terwijl hij banvloeken en geboden rondstrooit. Maar als Toto per ongeluk een gordijntje in het paleis openduwt, zien we een oude kleine man op een stoel achter een microfoon staan. Zelden is zo plastisch de goddelijke almacht in een film ontmaskerd.

Ook in het eerste deel zingt Garland het liedje dat haar signature song zou worden: ‘Somewhere over the Rainbow’. Auteurs Harold Yarlen (muziek) en E.Y. Harburg (tekst) kregen er een Oscar voor, maar de roem duurde langer dan dat filmseizoen. Samen met ‘As Time Goes By’ uit Casablanca en Doris Day’s ‘Secret Love’ zou het lied uitgroeien tot een symbool van de homo-emancipatie door de jaren heen. Er zijn zelfs aanwijzingen dat de keuze van de regenboogvlag als gay symbool vooral zou zijn geïnspireerd door ‘Somewhere over the Rainbow’.

Maar er zijn meer minderheden die zich in de ‘droom’ van Dorothy herkenden. Niet toevallig werd er in 1978 een Afro-Amerikaanse versie gemaakt, The Wiz, en sluipt het aboriginal weeskind in de film Australia een bioscoop in Darwin binnen om van een projectie van The Wizard of Oz te genieten.

Zeer in het bijzonder droeg de film, al tijdens de opnamen, bij aan de emancipatie van dwergen of ‘kleine mensen’, zoals de politiek correcte benaming luidt. Bij haar aankomst in Oz vermorzelt Dorothy per ongeluk de Slechte Heks van het Oosten en wordt daarom als bevrijder onthaald door de Munchkins, een volk van kleine wezens.

Producent Mervyn LeRoy wilde die scènes geloofwaardigheid schenken door het casten van honderden echte kleine mensen, die per advertentie als figuranten werden geworven. Dat zorgde voor een paar gedenkwaardige dagen in Hollywood. Uit alle hoeken van Noord-Amerika bijeengekomen, ontdekten de debuterende filmacteurs voor het eerst dat ze niet de enigen waren met geringe lichaamslengte en dat ze ondanks (of juist wegens) die eigenschap serieus genomen konden worden. De verslagen over orgieën in en rond de studio moeten misschien met een korreltje zout worden genomen, maar zeker is dat de opnamen het startpunt vormden voor een georganiseerde beweging van deze minderheid.

Dan zijn er de drie reisgenoten van Dorothy op de Gele Klinkerweg die naar het paleis van de Tovenaar in de Smaragden Stad leidt. Ze worden gespeeld door dezelfde acteurs die in de proloog de knechten zijn op de boerderij van haar tante Em in Kansas. Elk van de drie ontbeert iets essentieels. De Vogelverschrikker (Ray Bolger) heeft geen hersens, de Blikken Man (Jack Haley) geen hart en de Leeuw (Bert Lahr) geen moed. Stuk voor stuk bedoelen ze het echter goed in hun onvermogen en zijn ze onder uitdagende omstandigheden in staat hun tekortkomingen te overwinnen.

De archetypen zijn zo goed geschreven dat ik er bij het herzien van de film onmiddellijk eigentijdse pendanten in herkende. De man van stro is een laagopgeleide, die makkelijk ontvlamt en gevoelig is voor elke windvlaag die het op hem gemunt heeft. De stramme, voortdurend om een oliespuit smekende Blikken Man, lijkt op een technocraat die maar een paar kunstjes kent en als de dood is voor improvisatie. En in de Lafhartige Leeuw, die begint met dreigende taal uit te slaan tegen iedere passant, om bij de minste tegenstand te vervallen in luide weeklachten over zijn gebrek aan moed, dat is natuurlijk de reaguurder in sociale media.

De vraag dringt zich op aan wie we de tijdloze kwaliteit en wijsheid van de film zouden moeten toeschrijven. De pavlovreactie zou zijn dat het de regisseur moet wezen. Maar Victor Fleming (1889-1949) was gewoon de ambachtsman van dienst in een geolied studiosysteem, ver voordat in Europa de auteurstheorie werd ontwikkeld. In hetzelfde jaar dat hij The Wizard of Oz regisseerde, belandde zijn naam, na het ontslag van verschillende voorgangers, als regisseur op de credits van Gone with the Wind. Geen van beide klassieke superhits wordt echter ooit waargenomen als ‘een film van Victor Fleming’, ook omdat officieus nog vijf regisseurs aan The Wizard of Oz gewerkt hadden.

Dan komen nog eerder de scenarioschrijvers in aanmerking (drie officiële en zeventien officieuze) of producent Mervyn LeRoy, als coördinator van een collectief product uit een industrieel atelier.

Ik denk dat het echte genie achter de film de auteur van het originele kinderboek was. L. Frank Baum (1856-1919) schreef een kleine zestig kinderboeken, voor het grootste deel vergeten. Er zijn kenners van zijn werk die beweren dat hij toverinstrumenten beschreef die lijken op de televisie, de mobiele telefoon en de laptopcomputer.

Zeker is dat Baum, een Republikeins ondernemer en gepassioneerd pluimveehouder, een verstokt modernist was. Hij was getrouwd met een suffragette en schreef pamfletten voor het vrouwenkiesrecht en het recht op land van native Americans. In een nog diep religieuze samenleving moest hij weinig hebben van georganiseerde kerken en bekeerde zich tot de theosofie. Er zijn Amerikaanse historici, zoals Henry Littlefield in 1964, die in The Wonderful Wizard of Oz een satire herkenden op het populisme dat in de jaren 90 van de 19de eeuw de Amerikaanse politiek de kop opstak.

Het is al vaker beweerd dat de westerse filmkunst, zeker in Hollywood, in de twintigste eeuw een alternatief ontwikkelde voor de traditionele christelijke religie, met nieuwe goden en heiligen, met filmsterrenplaatjes in de plaats van iconen, en bioscooptempels als kathedralen. Er zijn weinig films waar die stelling zo op van toepassing is als The Wizard of Oz. Daarom is het goed een nieuwe generatie in staat te stellen dit evangelie van het afwerpen van angst voor de boven ons geplaatsten en hun hocus pocus, weer eens in een grote bioscoopzaal te bekijken.