En zo bleef er nog één oplossing over

De eurolanden kunnen het noodfonds niet verhogen tot 1.000 miljard euro.

Aankloppen bij het IMF kan, maar leidt tot pijnlijk gezichtsverlies.

„Die hefboom kost tijd. We hoeven het geld niet in één keer te mobiliseren.” Klaus Regling, de chef van het euronoodfonds EFSF, deed zijn best om niet de indruk te wekken dat de dijken in de eurozone op springen staan.

Maar het lukte hem niet om een bitter politiek feit te relativeren: de euroministers van Financiën zijn er deze week niet in geslaagd de slagkracht van het noodfonds te vergroten van ongeveer 265 miljard euro tot ongeveer 1.000 miljard. Ze willen nu bij het IMF aankloppen. Technisch is dat inderdaad geen ramp, zeggen betrokkenen.

Maar de politieke boodschap is gruwelijk: de eurozone is opnieuw niet in staat om zijn eigen beloftes uit te voeren. In oktober sommeerden regeringsleiders de ministers dat ze deze week een noodfonds paraat moesten hebben dat met financiële hefboominstrumenten zou zijn opgepompt tot 1.000 miljard. Dit zou „een krachtig signaal” zijn naar financiële markten dat de eurozone bereid, en in staat, is Italië en Spanje te beschermen.

Op een cruciaal moment in de eurocrisis, waarbij Italië onmogelijke rentes betaalt, de kredietwaardigheid van banken onder vuur ligt en de ECB moeite krijgt met routineoperaties, is het uitblijven van dit signaal funest. „Het EFSF gaat de crisis niet oplossen”, concludeert Sony Kapoor van denktank Re-define.

De vraag is nu: wie dan wel? Eurocommissaris Olli Rehn, die dinsdagavond in grafstemming naast Regling zat, geeft toe dat we „een kritieke periode van tien dagen ingaan om de crisisrespons van de Europese Unie af te maken”.

Volgende week komen regeringsleiders op een top bijeen. Europees president Herman Van Rompuy beloofde gistermorgen dat dan de „systeemcrisis een systeemantwoord krijgt”.

Wat er misging met het EFSF dat zomer 2010 werd opgericht, typeert de Europese crisisbestrijding. Het fonds drijft op bilaterale garanties van eurolanden. Zes landen hebben de hoogste AAA-status: hun staatsobligaties worden als ‘superveilige’ belegging gezien. Daardoor heeft het EFSF ook AAA.

Maar de crisis holt de status van sommige landen en dus het EFSF uit. Frankrijk betaalt zulke hoge rentes op staatsleningen dat het zijn AAA-status de facto al kwijt is. Daardoor betaalt ook het EFSF hogere rentes. Alle EFSF-operaties worden duurder. Er kan minder geld worden gemobiliseerd.

Het EFSF leent aan Ierland en Portugal. Ook bij het tweede leningenpakket aan Griekenland wordt het ingeschakeld. Van de aanvankelijke ‘inleg’ in het EFSF is nog 265 miljard over. Dat is onvoldoende om Italië en Spanje af te schermen.

Maar eurolanden willen het EFSF geen extra garanties sturen. Velen zitten krap bij kas. Sommige parlementen liggen dwars. Dus besloten regeringsleiders op 27 oktober financiële hefboomtrucs in te zetten om de slagkracht te vergroten tot 1.000 miljard: een verzekeringspolis op staatsobligaties die beleggers moet lokken, en ‘investeringsvehikels’ voor eurolanden waarin institutionele en particuliere beleggers wereldwijd geld kunnen stoppen.

Experts dachten hiermee 1.000 miljard te bereiken: hefboomfactor 4 of 5, dus. Maar beleggers vluchten de eurozone uit. Banken als Dexia en Deutsche zeggen openlijk dat ze geen EFSF-papier kopen: het fonds heeft voor hen een „te hybride structuur”.

Minister Jan Kees de Jager (CDA, Financiën) zei deze week dat de hefbomen slechts een verhoging opleveren met factor „2 of 2,5, dus niet genoeg, en we moeten andere oplossingen zoeken om het EFSF aan te vullen en dat is volgens mij het IMF”.

Het idee is dat centrale banken van eurolanden geld lenen aan het IMF, dat het aanvult met bijdragen van niet-eurolanden, en dan alles doorleent aan het EFSF. Of andere IMF- leden dit willen en tegen welke prijs, moet worden uitgezocht. Hoe hoog de nationale bijdragen zijn, wilde De Jager niet zeggen, maar „geen zorgen, we krijgen het vertrouwen van beleggers wel terug”.

    • Caroline de Gruyter