'Een reality check voor de op kaskraker hopende filmmakers'

Filmregisseur en producent Ate de Jong (58) heeft voor films een rekenmodel voor succes ontwikkeld. Script, regisseur en acteur zijn relatief onbelangrijk.

scene uit de film Nova Zembla (2011) FOTO: Benelux Film

In speelfilms is succes voorspelbaar. Een keuze zelfs. Ate de Jong weet het zeker: een geslaagde Nederlandse publieksfilm (minimaal 250.000 bezoekers) bevat vaste basisingrediënten. Dat is geen onfeilbaar recept voor succes, maar zonder is een flop gegarandeerd.

Als intendant commerciële films bij het Filmfonds ontwikkelde filmregisseur, scenarioschrijver en producent Ate de Jong (58) een rekenmodel voor succes: de ‘stresstest’. Steevast spiegelden filmmakers hem zo’n half miljoen bezoekers voor. De Jong: „Ik zou precies hetzelfde doen.” Zijn stresstest noemt hij een „reality check”.

Voor Nova Zembla, die vorige week in première ging, berekende De Jong op verzoek van de krant dat deze 434.297 bezoekers zou trekken, met een bandbreedte van 375.000 tot 475.000. Na vier dagen zat de film op meer dan 100.000 bezoekers. Nova Zembla heeft volgens De Jong een paar minpunten. Te bloederig voor een gezinsuitje, en ook de 3D vindt hij niet al te sterk.

In zijn rekenmodel zijn script, regisseur en acteur relatief onbelangrijk. „Sterren dragen in Nederland geen film, al denken de makers van Black Butterflies dat Carice van Houten en Rutger Hauer het verschil tussen 50.000 en 135.000 stoelen maakten. Maar neem de film Alle Tijd: de makers hoopten op honderdduizenden bezoekers omdat Paul de Leeuw zo veel mensen op televisie trekt. Maar een speelfilm is iets anders. Alle Tijd kreeg van mijn stresstest 70.000 bezoekers, het werden er 77.692.”

Bij publieksfilms, zegt De Jong, draait het om vrij basale zaken. Doelgroep en release zijn de belangrijkste. Voor wie is de film bedoeld? De Jong: „Verrassend veel filmmakers denken daar nooit over na.” En ook: Hoeveel geld en energie steekt men in marketing, en in hoeveel zalen komt de film uit? „Vijfendertig jaar geleden kon Soldaat van Oranje zwak beginnen om uiteindelijk door mond-tot-mond reclame anderhalf miljoen bezoekers te halen. Nu moet een publieksfilm in vier weken zijn geld verdienen.”

De doelgroep, meent hij, moet zo’n zeven keer op het bestaan van de film worden gewezen. En filmrecensies zijn daarbij irrelevant: een publieksfilm is ‘criticproof’. „Over vijf jaar bestaat de filmkritiek sowieso niet meer, dan heb je alleen nog ballen of sterren.”

Een andere factor die zwaar weegt, is het ‘Nederland Gevoel’; een nationaal element dat kijkers wegtrekt van duurdere, betere Amerikaanse films. De Elfstedentocht in De Hel van ’63 is een voorbeeld, of de watersnoodramp in De Storm of de Nederlandse jetset in Gooische Vrouwen.

‘Branding’, oftewel merkkracht, volgt. Bestaat de film al voordat je hem maakt? Gooische Vrouwen was al een hitserie op tv, New Kids een cultus op internet, Komt een vrouw bij de dokter een bestseller. En soms schuilt de merkkracht in een persoon. Zo was Paul Verhoeven een ‘brand’ voor Zwartboek.

Het zesde element, ‘concept’ (inhoud/emotie), gaat deels over moraal. Die moet conventioneel zijn. Overwint het kwade het goede en komt hoogmoed niet voor de val, dan verlies je een groot deel van je doelgroep, aldus de Jong. „Een film als De President, die neerbuigend is naar zijn doelgroep, trekt nooit meer dan 60.000 mensen. De makers dachten 200.000.” Ten slotte is er de ‘must see-factor’: een blote Sophie Hilbrand in Zomerhitte, het 3D van Nova Zembla.

Over de voorlopige resultaten van zijn stresstest is De Jong niet ontevreden. De Eetclub, die hij op 175.000 bezoekers schatte, trok 200.000 mensen. Voor De Bende van Oss rekende hij op 120.000. Het werden er 128.000.

Soms gaat het mis. Majesteit schatte hij op 100.000 bezoekers, er kwamen er 24.296. „Omdat ze Beatrix subtieler aanpakten dan ze vooraf hadden beloofd. Subtiliteit werkt niet, ook niet in arthousefilms.” Pizzamaffia, dat hij 250.000 bezoekers gaf maar op 68.000 bleef steken. De Jong: „Kerndoelgroep was allochtone jeugd. Die herkende zich totaal niet in de huilerige helden.”

In zo’n geval schoten data en inzicht te kort – niet de stresstest, denkt De Jong. Die test kan overigens ook niet een superhit voorspellen. Zo voorzag hij voor Gooische Vrouwen 1,2 miljoen kijkers. Dat werden er 1,7 miljoen. De Jong: „Dat een film zo’n cultus wordt dat de doelgroep meerdere malen naar de bioscoop gaat, zoals bij Gooische Vrouwen of New Kids, valt niet te voorzien.”

Voor kunstfilms, die volgens hem tussen de 10.000 en 50.000 stoelen moeten verkopen, denkt De Jong ook een stresstest te kunnen maken. Ook vindt hij dat je het „maatschappelijk niet kunt verantwoorden om geld te blijven steken in filmmakers die telkens maar drie- tot vijfduizend stoelen verkopen.”

Valt De Jongs idee in goede aarde? Eerder wilde zijn voorganger bij het Filmfonds, Esmée Lamers, geld ‘objectief’ verdelen op basis van eerder succes van de filmmakers. Dat idee verdween in een heel diepe la. De Jong: „Zij kijkt naar personen, ik naar projecten.”Maar Doreen Boonekamp, directeur van het Filmfonds, betwijfelt of de stresstest een succes voorspellende formule is. „Naar die kip met de gouden eieren zoeken ze al tijden in Hollywood.”

En daar hebben ze die kip ook gevonden, werpt De Jong tegen. In Amerika werken ze met subtielere rekenmodellen dan zijn stresstest. „Dáár testen ze filmconcepten in supermarkten en zijn testvoorstellingen voor de doelgroepen heel belangrijk. In Nederland wordt soms wel zoiets gedaan, maar met de respons wordt vervolgens weinig gedaan. In Amerika halen ze films na een test daarentegen geheel door de mangel, ze filmen nieuwe scènes of maken een heel nieuw einde.”

En of je het met hem eens bent of niet, De Jong verwacht „tot zijn spijt” dat de Nederlandse film binnenkort veel strenger op commercieel potentieel wordt beoordeeld. De bezuinigingen in de filmsector in 2013 maken dat onvermijdelijk: het Filmfonds heeft dan 7 miljoen euro minder aan speelfilms te besteden dan de huidige 27 miljoen. „Ik hoop dat kwaliteitsfilmers deze stresstest dan zien als nuttig hulpmiddel.”

Zelf hoopt hij tegen die tijd een film over het bombardement van Rotterdam in mei 1940 te draaien. Doelgroep: ouderen én jeugd. Nederland Gevoel: Tweede Wereldoorlog. Must See-factor: Zeventien minuten bombardement, net zo lang als in het echt. Branding: zwak, toegegeven. „Uit de losse pols zeg ik: tweeënhalf miljoen bezoekers. Objectief? Oké, het wordt Titanic meets Zwartboek. Zeg anderhalf miljoen bezoekers.”