Duizenden tijdschriften uit de delta

Na de Tweede Wereldoorlog werkten Nederlandse natuurwetenschappelijke uitgevers zich naar de wereldtop. Dorien Daling zocht uit hoe ze dat deden.

Van alle uitgeverijen van medische, technische en natuurwetenschappelijke tijdschriften is Reed-Elsevier de grootste. Het concern geeft 2.000 tijdschriften uit. Ze worden gelezen door 30 miljoen mensen in 180 landen.

Komt dat door het Britse Reed? Nee, niet per se. Ook toen Elsevier nog helemaal Nederlands was, had het al een koppositie. In de jaren ’70 stond het bedrijf in de uitgevers-toptien wereldwijd. En ook in 1985 gaf het meer bladen uit, 600, dan welke andere wetenschappelijke uitgever.

Hoe kan dat? Hoe kon Nederland na de Tweede Wereldoorlog zo groot worden in deze uitgeverswereld? Die vraag staat centraal in Stofwisselingen, het proefschrift waarop historicus Dorien Daling vanmiddag in Groningen promoveert.

Het was pionierswerk. Zeker, Cees Andriesse schreef eerder Dutch Messengers over de Nederlandse wetenschappelijke uitgeverijen. Maar de rol van natuurwetenschappelijke bladen zelf was niet eerder onderzocht. Daling: „Daardoor wordt vaak gedachteloos aangenomen dat deze bladen simpelweg de wetenschappelijke ontwikkelingen spiegelen. Dat ze óók een sturende invloed hebben op het wetenschappelijke bedrijf, zoals literaire bladen cultuur maken, wordt meestal over het hoofd gezien.” Het was wél een vooronderstelling waarmee Daling werkte.

Twee bladen stonden centraal in haar onderzoek. Het grotendeels Engelstalige Biochimica et Biofysica Acta (BBA), dat sinds 1947 door Elsevier wordt uitgegeven. En het Engelstalige Nuclear Physics dat in 1955 op de markt werd gebracht door de North Holland Publishing Company, in 1970 overgenomen door Elsevier.

Beide bladen waren de eerste in hun vakgebied met een internationale redactie. „En beide waren ze van het type waarmee uitgevers later zo zouden scoren”, zegt Daling. „Ze waren specialistisch, gericht op deelgebieden van de biochemie en de natuurkunde – dat was nieuw. En vooral: ze publiceerden snel en maakten veel plek vrij voor korte bijdragen.”

Daarmee haakten de bladen in op de behoefte van wetenschappers om de prioriteit van een ontdekking te claimen en zo hun concurrenten te snel af te zijn. Omgekeerd wakkerden ze die scoringsdrift ook aan, denkt Daling. „Als iets mogelijk is, wordt het vaak al snel noodzakelijk. Met hun ondernemende benadering hebben uitgevers bepaalde trends zeker versneld, al is meer onderzoek nodig om dat precies uit te zoeken.”

Maar waarom bleken juist Nederlandse uitgevers en hoofdredacteuren zo ondernemend? Historicus J.K.W. van Leeuwen wees eerder op de brugfunctie van Nederland tussen Europa en de Verenigde Staten, waar de natuurwetenschap na de Tweede Wereldoorlog opbloeide. Ook de handelsgeest van Nederlanders speelde volgens hem mee, net als hun talenkennis, die toen nog afstak bij die van andere Europeanen. Ten slotte wees hij op de lange uitgeeftraditie in Nederland. Juist daardoor was alle expertise in huis voor het uitgeven van wetenschapsbladen, met formules en noten die om ervaren drukkers vroegen.

Daling voegt daar nu aan toe dat Nederlandse uitgevers slim in het gat sprongen dat was gevallen doordat Duitse uitgeverijen, voor de oorlog vaak in joodse handen, teloor waren gegaan. „Ze hadden daarbij het voordeel dat zij al een goed netwerk hadden onder Duitse wetenschappers”, zegt zij. Daarnaast had Nederland een „aura van neutraliteit”. En, terecht of niet, zo konden de bladen tijdens de Koude Oorlog Amerikaanse én Russische wetenschappers aan zich binden.

Speelde het aanzien van de Nederlandse wetenschap nog een rol? Niet echt, denkt Daling. De kracht van de hoofdredacteuren van BBA en Nuclear Physics, de moderne Hendrik Westenbrink en de kleurrijke Belgische Léon Rosenfeld, school er in dat ze zich met zwaargewichten uit het buitenland omringden, en zo hun bladen status gaven. Later, schrijft zij, bouwde mensen als Pierre Vinken handig al die zo vergaarde voorsprong uit.

Mooi is, ten slotte, de manier waarop Daling laat zien hoe de bladen intussen van karakter veranderden. Van een plek voor discussie en vorming – met boekbesprekingen, essays, en overzichtsartikelen – werden het steeds meer naslagwerken waarin specialisten snel een artikel van een collega kunnen opzoeken. Helemaal in de geest van de publish or perish-cultuur in de wetenschap.

En ja, die cultuur kraakt in zijn voegen, beaamt Daling „Juist daarom vind ik het interessant om terug te kijken in de tijd. Dan zie je bijvoorbeeld dat BBA en Nuclear Physics peer review pas invoerden toen er steeds meer artikelen werden aangeboden: zo wilden ze de al hoge kwaliteit van hun publicaties handhaven. Dat relativeert het idee dat het huidige peer review-systeem de enige manier is om kwaliteit te waarborgen.”

    • Margriet van der Heijden